Voorschrift 3-6 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
STRUCTUUR VAN SCHEPEN
1 Toepasselijkheid
1.1 Behoudens het in paragraaf 1.2 bepaalde is dit voorschrift van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van 500 ton en meer en bulkcarriers, als omschreven in voorschrift IX/1, met een brutotonnage van 20.000 ton en meer, gebouwd op of na 1 januari 2006.
1.2 Olietankschepen met een brutotonnage van 500 ton en meer, gebouwd op of na 1 oktober 1994, maar vóór 1 januari 2005, moeten voldoen aan de bepalingen van voorschrift II-1/12-2, aangenomen bij resolutie MSC.27(61).
2 Toegangsmiddelen voor laadruimen en andere ruimten
2.1 Elke ruimte moet worden voorzien van een toegangsmiddel zodat de Administratie, de maatschappij, als omschreven in voorschrift IX/1, en de scheepsbemanning en indien nodig andere personen in staat zijn gedurende de levensduur van een schip globale en nadere inspecties en diktemetingen van de scheepsconstructie te verrichten. Deze toegangsmiddelen moeten voldoen aan de vereisten van paragraaf 5 en aan de technische bepalingen voor toegangsmiddelen voor inspecties, aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie bij resolutie MSC.133(76), als kan worden gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden overeenkomstig de bepalingen van artikel VIII van dit Verdrag betreffende de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op de Bijlage, met uitzondering van Hoofdstuk I.
2.2 Wanneer een permanent toegangsmiddel aan beschadiging kan blootstaan gedurende de normale laad- en losactiviteiten of wanneer het niet praktisch is een permanent toegangsmiddel te installeren, kan de Administratie, in plaats daarvan, toestaan dat een verplaatsbaar of draagbaar toegangsmiddel wordt gebruikt, als nader aangeduid in de technische bepalingen, mits het bevestigings-, montage-, ophangings- of ondersteuningsmiddel van het draagbare toegangsmiddel een vast onderdeel van de scheepsconstructie vormt. Alle draagbare uitrustingen moeten eenvoudig door de scheepsbemanning kunnen worden neergezet of ingezet.
2.3 De constructie en materialen van alle toegangsmiddelen en de bevestiging ervan aan de scheepsconstructie moeten naar de tevredenheid van de Administratie zijn. De toegangsmiddelen worden voorafgaand aan, of in combinatie met, het gebruik ervan geïnspecteerd bij de inspecties die in overeenstemming met voorschrift I/10 worden uitgevoerd.
3 Veilige toegang tot laadruimen, ladingtanks, ballasttanks en andere ruimten
3.1 Veilige toegang tot laadruimen, kofferdammen, ballasttanks, ladingtanks en andere ruimten in het ladinggedeelte moet rechtstreeks vanaf het dek worden verkregen, zodat volledige inspectie ervan mogelijk is.
Veilige toegang tot ruimten in een dubbele bodem of tot voorwaartse ballasttanks kan worden verkregen via een pompkamer, een diepe kofferdam, een leidingtunnel, een laadruim, een dubbele-rompruimte of soortgelijke afdeling die niet bestemd is voor het vervoer van olie of gevaarlijke ladingen.
3.2 Tanks en onderverdelingen van tanks met een lengte van 35 m of meer moeten zijn voorzien van ten minste twee toegangsluiken en ladders, die zo ver als praktisch mogelijk uit elkaar moeten worden geplaatst. Tanks met een lengte van minder dan 35 m moeten zijn voorzien van ten minste een toegangsluik en ladder. Wanneer een tank is onderverdeeld door middel van een of meerdere slingerschotten of soortgelijke obstakels waardoor geen eenvoudige toegang mogelijk is tot de andere delen van de tank, moeten ten minste twee luiken en ladders worden geplaatst.
3.3 Elk laadruim moet zijn voorzien van ten minste twee toegangsmiddelen, die zo ver als praktisch mogelijk uit elkaar moeten worden geplaatst. In het algemeen moeten deze toegangen diagonaal worden geplaatst, bijvoorbeeld een toegang vlakbij het voorste schot aan bakboordzijde, en de andere vlakbij het achterste schot aan stuurboordzijde.
4 Handboek toegang scheepsconstructie
4.1 De toegangsmiddelen van een schip voor globale en nadere inspecties en diktemetingen moeten worden beschreven in een door de Administratie goedgekeurd Handboek toegang scheepsconstructie, waarvan een bijgewerkte versie aan boord moet worden bewaard. Het Handboek toegang scheepsconstructie moet voor elke ruimte het volgende omvatten:
.1 overzichten waarop de toegangsmiddelen tot de ruimte worden afgebeeld, met de benodigde technische specificaties en afmetingen;
.2 overzichten waarop de toegangsmiddelen binnen elke ruimte worden afgebeeld, zodat een globale inspectie kan worden uitgevoerd, met de benodigde technische specificaties en afmetingen. Op de overzichten moet worden aangegeven vanaf welke plaats elk gedeelte in de ruimte kan worden geïnspecteerd;
.3 overzichten waarop de toegangsmiddelen binnen de ruimte worden afgebeeld, zodat nadere inspecties kunnen worden uitgevoerd, met de benodigde technische specificaties en afmetingen. Op de overzichten moet worden aangegeven waar de kritieke gedeelten in de constructie zich bevinden, of het toegangsmiddel vast of draagbaar is en vanaf welke plaats elk gedeelte kan worden geïnspecteerd;
.4 instructies voor het inspecteren en handhaven van de stevigheid van de constructie van alle toegangs- en bevestigingsmiddelen, gelet op de mogelijk corrosievormende atmosfeer binnen de ruimte;
.5 veiligheidsinstructies wanneer een vlot wordt gebruikt voor gedetailleerde inspecties en diktemetingen;
.6 instructies voor veilige bevestiging en veilig gebruik van draagbare toegangsmiddelen;
.7 een overzicht van alle draagbare toegangsmiddelen; en
.8 verslagen van periodieke inspecties en onderhoud van de toegangsmiddelen van het schip.
4.2 Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder „kritieke gedeelten in de constructie”, plaatsen die met behulp van berekeningen zijn aangemerkt voor controle of waarvan uit de onderhoudsgeschiedenis van het desbetreffende schip of van soortgelijke of zusterschepen is gebleken dat zij gevoelig zijn voor scheuren, uitstulpingen, vervorming of corrosie, waardoor de structurele veiligheid van het schip in gevaar komt.
5 Algemene technische specificaties
5.1 Ten behoeve van toegang via horizontale openingen, luiken of mangaten, moeten de afmetingen zodanig zijn dat een persoon met een persluchttoestel en beschermende uitrusting ongehinderd langs een ladder omhoog kan klimmen of kan afdalen, en dat er een vrije opening is ter vergemakkelijking van het ophijsen van een gewonde van de bodem van de ruimte. De minimale vrije opening mag niet kleiner zijn dan 600 mm bij 600 mm. Wanneer toegang tot een laadruim wordt verkregen via het laadluik, moet de bovenkant van de ladder zo dicht mogelijk bij het luikhoofd worden geplaatst. Toegangsluikhoofden met een hoogte van meer dan 900 mm moeten in combinatie met de ladder eveneens zijn voorzien van treden aan de buitenzijde.
5.2 Voor toegang via verticale openingen of mangaten in slingerschotten, vloeren, steunbalken en verbindingsframes die doorgang bieden over de lengte en de breedte van de ruimte, mag de minimale opening niet kleiner zijn dan 600 mm bij 800 mm, op een hoogte van maximaal 600 mm vanaf de beplating van het scheepsvlak, tenzij er roosters of andere steunen voor de voeten zijn aangebracht.
5.3 Voor olietankschepen met een draagvermogen van minder dan 5.000 ton kunnen door de Administratie in bijzondere omstandigheden kleinere afmetingen voor de in paragraaf 5.1 en 5.2 bedoelde openingen worden goedgekeurd, indien ten genoegen van de Administratie kan worden aangetoond dat het mogelijk is door deze openingen te gaan of een gewonde af te voeren.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0