Voorschrift 148 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- NAVIGATIEMIDDELEN AAN BOORD VAN VAARTUIGEN
(1) Vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten zijn uitgerust met:
(a) een magnetisch standaardkompas dat in een deugdelijk kompashuis op de hartlijn van het vaartuig is geplaatst, zulks ten genoegen van de Administratie; en
(b) een tweede magnetisch kompas dat in een deugdelijk kompashuis zo dicht mogelijk bij de hoofdstuurinrichting moet zijn geplaatst, ten einde de roerganger in staat te stellen het vaartuig daarop te sturen. Echter wanneer een geprojecteerde of gereflecteerde aflezing van het in sub-lid (a) vereiste standaardkompas voor dit doel aanwezig is, moet het tweede magnetisch kompas ten genoegen van de Administratie op een geschikte plaats zijn aangebracht.
(2) Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moeten zijn uitgerust met:
(a) een magnetisch standaardkompas dat in een deugdelijk kompashuis op de hartlijn van het vaartuig is geplaatst en is voorzien van een geprojecteerde of gereflecteerde aflezing dat zo dicht mogelijk bij de hoofdstuurinrichting is geplaatst, ten einde de roerganger in staat te stellen het vaartuig daarop te sturen. De installatie moet ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht; en
(b) een tweede magnetisch kompas in een kompashuis bij de hoofdstuurinrichting, wanneer de roerganger niet de beschikking heeft over een geprojecteerde of gereflecteerde aflezing van het standaardkompas, ten einde het vaartuig daarop te sturen.
(3) Een gyrokompas moet ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht
*) [Red: Zie de Aanbeveling inzake de uitvoeringsnormen voor gyrokompassen, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.280(VIII).]
:
(a) aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt; en
(b) aan boord van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 meter bedraagt, indien het vaartuig bestemd is om op breedten gebruikt te worden, waar de horizontale component van het totale aardmagnetische veld te gering is om een voldoende richtkracht aan het magnetisch kompas te geven.
Het ingevolge de sub-leden (a) en (b) vereiste gyrokompas moet zodanig zijn geplaatst, dat het kompas hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een dochterkompas door de roerganger bij de hoofdstuurinrichting afgelezen kan worden en dit gyrokompas moet ten genoegen van de Administratie ten behoeve van het peilen zijn voorzien van één of meer dochterkompassen.
(4) Wanneer een gyrokompas is aangebracht waarvan de stand hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een dochterkompas door de roerganger bij de hoofdstuurinrichting kan worden afgelezen, behoeft het onder de subleden (1)(b) en (2)(b) bedoelde tweede magnetische kompas niet te zijn aangebracht, op voorwaarde dat de roerganger de beschikking heeft over een apparaat voor een geprojecteerde en gereflecteerde aflezing van het magnetisch standaardkompas, ten einde het vaartuig te kunnen sturen.
(5) Voorzieningen moeten zijn getroffen ten einde dag en nacht kompaspeilingen te kunnen nemen.
(6) Magnetische kompassen moeten naar behoren gecompenseerd zijn en een deviatietabel of -kromme moet aan boord van het vaartuig aanwezig zijn.
(7) Wanneer een magnetisch kompas met elektrische overbrenging naar een dochterkompas is aangebracht, moet het ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van een elektrische noodvoeding.
(8) Verlichting en mogelijkheden om dit te dimmen moeten aanwezig zijn, ten einde het mogelijk te maken dat de kompasroos te allen tijde afgelezen kan worden. Indien de verlichting wordt gevoed door de hoofdvoeding van het vaartuig, moet tevens een noodverlichting zijn aangebracht.
(9) Wanneer slechts één magnetisch kompas aan boord is opgesteld, moet een reserve kompasketel ter vervanging van het magnetisch kompas aan boord aanwezig zijn.
(10) Ten genoegen van de Administratie moet een spreekbuis of ander deugdelijk communicatiemiddel zijn aangebracht, tussen de plaats waar het standaardkompas is opgesteld en de normale plaats van navigatie of, indien aangebracht, de plaats waar de noodstuurinrichting is opgesteld.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0