wetzoeker

Voorschrift 96 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- BRANDBEVEILIGINGSMAATREGELEN BIJ SCHEPEN WAARVAN DE LENGTE MINDER DAN 55 METER BEDRAAGT

(1) Het minimum aantal en soort brandbluspompen dat moet zijn aangebracht, moet zijn:

(a) één werktuiglijk gedreven pomp die voor de aandrijving niet afhankelijk is van de hoofdvoortstuwingsinstallatie; of

(b) één werktuiglijk gedreven pomp die door de hoofdvoortstuwingsinstallatie wordt aangedreven, onder voorwaarde dat de schroefas gemakkelijk ontkoppeld kan worden of dat een verstelbare schroef is aangebracht.

(2) Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen mogen worden gebruikt als brandbluspompen, indien deze voldoen aan de voorschriften van dit Hoofdstuk en de capaciteit die nodig is voor het leegpompen van de ruimen niet verminderen. Brandbluspompen moeten zo aangesloten zijn dat zij niet kunnen worden gebruikt voor het pompen van olie of andere ontvlambare vloeistoffen.

(3) Centrifugaalpompen of andere pompen die aangesloten zijn op de hoofdbrandblusleiding, moeten voorzien zijn van terugslagkleppen, in geval via deze pompen terugvloeiing van water zou kunnen plaatsvinden.

(4) Schepen die niet zijn uitgerust met een mechanisch aangedreven noodbrandbluspomp en geen vast aangebrachte brandblusinstallatie in de ruimten voor machines hebben, moeten zijn voorzien van extra brandblusmiddelen, zulks ten genoegen van de Administratie.

(5) Indien mechanisch aangedreven noodbrandbluspompen zijn aangebracht, moeten deze onafhankelijk zelfstandig aangedreven pompen zijn die zijn uitgerust met een eigen motor en brandstoftoevoer, aangebracht op een toegankelijke plaats buiten de afdeling waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht, of die worden aangedreven door een zelfstandige generator, welke een noodgenerator met een voldoende capaciteit mag zijn die op een veilige plaats buiten de machinekamer en bij voorkeur boven het werkdek is geïnstalleerd.

(6) Wanneer een noodbrandbluspomp is aangebracht, moeten de pomp, aanzuigkleppen voor zeewater en andere noodzakelijke kleppen bediend kunnen worden vanaf een plaats buiten de afdelingen waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht, waarvan het niet waarschijnlijk is dat deze ten gevolge van brand in deze afdelingen niet kan worden bereikt.

(7) De totale capaciteit (Q) van de werktuiglijk gedreven hoofdbrandbluspompen moet ten minste bedragen:

kubieke meter per uur waarin L, B en D in meters zijn uitgedrukt.

(8) Wanneer twee onafhankelijke werktuiglijk aangedreven brandbluspompen zijn aangebracht, moet elke pomp een capaciteit hebben van niet minder dan 40 procent van de ingevolge paragraaf (7) vereiste hoeveelheid.

(9) Wanneer mechanisch aangedreven hoofdbrandbluspompen de ingevolge paragraaf (7) vereiste hoeveelheid water leveren via de hoofdbrandblusleiding, brandslangen en straalpijpen, moet op elke brandkraan ten minste een druk van 0,25 newton per vierkante millimeter kunnen worden gehandhaafd.

(10) Wanneer mechanisch aangedreven noodbrandbluspompen de vereiste maximumhoeveelheid water leveren door middel van de ingevolge Voorschrift 98(1) vereiste straal, moet de druk op elke brandkraan ten genoegen van de Administratie zijn.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl