wetzoeker

Voorschrift 89 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- BRANDBEVEILIGINGSMAATREGELEN BIJ SCHEPEN WAARVAN DE LENGTE MINDER DAN 55 METER BEDRAAGT

(1) De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van onbrandbare materialen vervaardigd zijn. De Administratie kan een brandbare constructie toestaan, mits wordt voldaan aan de eisen van dit Voorschrift en de aanvullende eisen inzake het blussen van brand vervat in Voorschrift 101(3).

(2)

(a) In schepen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moeten de dekken en schotten waardoor ruimten voor machines van categorie A worden gescheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations van klasse „A-60” zijn, wanneer de ruimte voor machines van categorie A niet is voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie, en van klasse „A-30” zijn, wanneer zulk een installatie is aangebracht. Dekken en schotten waardoor andere ruimten voor machines worden gescheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten van klasse „A-0” zijn. Dekken en schotten waardoor controlestations worden gescheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, moeten van klasse „A” zijn en ten genoegen van de Administratie zijn geïsoleerd, behalve dat een Administratie kan toestaan dat schotten van klasse „B-15” worden aangebracht ten einde ruimten als de kapiteinshut en het stuurhuis van elkaar te scheiden.

(b) In schepen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten de dekken en schotten waardoor ruimten voor machines worden gescheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations van klasse „F” of klasse „B-15” zijn. Bovendien moeten grenzingswanden van ruimten voor machines zoveel als praktisch uitvoerbaar is de doortocht van rook verhinderen. Dekken en schotten waardoor controlestations worden gescheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, moeten van klasse „F” zijn.

(3)

(a) In schepen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moeten schotten van gangen die ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations bedienen, van klasse „B-15” zijn.

(b) In schepen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten schotten van gangen die ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations bedienen, van klasse F zijn.

(c) Elk schot dat een schot moet zijn overeenkomstig het bepaalde in sub-paragraaf (a) of (b), moet worden opgetrokken van dek tot dek, tenzij aan beide zijden van het schot een doorlopend plafond van dezelfde klasse als het schot is aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond.

(4) Binnentrappen die ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations bedienen, moeten vervaardigd zijn van staal of ander gelijkwaardig materiaal. Zulke trappen moeten zijn aangebracht binnen omsluitingen die gevormd worden door schotten van klasse „F” in schepen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen of door schotten van klasse „B-15” in schepen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, met dien verstande dat in geval een trap niet meer dan twee dekken verbindt, deze slechts op één niveau behoeft te zijn omsloten.

(5) Deuren en andere sluitmiddelen van openingen in schotten en dekken bedoeld in de paragrafen (2) en (3), deuren die zijn aangebracht in trapomsluitingen als bedoeld in paragraaf (4) en deuren die zijn aangebracht in schachten van machinekamers en ketelruimten, moeten een brandwerend vermogen hebben, dat, voor zover als uitvoerbaar, gelijkwaardig is met dat van de schotten, waarin zij zijn aangebracht. Deuren die toegang geven tot ruimten voor machines van categorie A moeten zelfsluitend zijn.

(6) Liftschachten die door de ruimten voor accommodatie en dienstruimten lopen, moeten vervaardigd zijn van staal of gelijkwaardig materiaal. Zij moeten zijn voorzien van sluitmiddelen, waarmee de trek en de rookverspreiding onder controle kunnen worden gehouden.

(7)

(a) In schepen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten de begrenzingsschotten en dekken van ruimten waarin een noodkrachtbron is ondergebracht, alsmede de schotten en dekken welke kombuizen, verfhutten, lampenhutten of bergplaatsen waarin bepaalde hoeveelheden zeer ontvlambare materialen zijn ondergebracht, scheiden van de ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations, vervaardigd zijn van schotten van klasse „F” of klasse „B-15”.

(b) In schepen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moeten de dekken en schotten bedoeld in sub-paragraaf (a), van klasse „A” zijn en ten genoegen van de Administratie geïsoleerd zijn, daarbij rekening houdende met het brandgevaar, met dien verstande dat de Administratie schotten van klasse „B-15” tussen een kombuis en ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations kan aanvaarden, in het geval het kombuis uitsluitend is voorzien van elektrische ovens, elektrische boilers of andere elektrische toestellen.

(c) Zeer ontvlambare produkten moeten opgeslagen worden in passend gesloten houders.

(8) Wanneer schotten of dekken die ingevolge de paragrafen (2), (3), (5) en (7) van klasse „A”, klasse „B” of klasse „F” moeten zijn, zijn doorboord voor het doorlaten van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen enz., moeten maatregelen worden getroffen, opdat de brandwerendheid niet vermindert.

(9) Luchtruimten ingesloten tussen plafonds en dekken en achter wanden en beschietingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten op passende wijze worden onderverdeeld door afstoppingen die de trek tegengaan en die niet verder dan 7 meter uiteenliggen.

(10) Ramen en schijnlichten van ruimten voor machines moeten aan de volgende eisen voldoen:

(a) wanneer schijnlichten geopend kunnen worden, moeten zij van buiten de ruimte gesloten kunnen worden. Glazen ramen of poorten in schijnlichten moeten voorzien zijn van blinden aan de buitenzijde die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander gelijkwaardig materiaal;

(b) glas of soortgelijke materialen mogen niet in scheidingswanden van ruimten voor machines worden aangebracht. Zulks sluit het gebruik van draadglas voor schijnlichten en glas in controlekamers in de ruimten voor machines niet uit; en

(c) draadglas moet worden gebruikt in schijnlichten bedoeld in subparagraaf (a).

(11) De isolatiematerialen die toegepast zijn in ruimten voor accommodatie, dienstruimten - behalve koel- en vrieskamers voor huishoudelijk gebruik -, controlestations en ruimten voor machines, moeten onbrandbaar zijn. Het oppervlak van de isolatie die is aangebracht op de inwendige begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A, moet ondoordringbaar zijn voor olie en oliedampen.

(12) In visruimen moet brandbare isolatie door een nauw aansluitende bekleding worden beschermd.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl