wetzoeker

Voorschrift 101 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- BRANDBEVEILIGINGSMAATREGELEN BIJ SCHEPEN WAARVAN DE LENGTE MINDER DAN 55 METER BEDRAAGT

(1)

(a) In ruimten waar oliegestookte ketels, oliestookinrichtingen of inwendige verbrandingsmotoren zijn opgesteld met een totaal vermogen van niet minder dan 375 kilowatt, moet één van de hierna genoemde vast aangebrachte brandblusinstallaties zijn aangebracht, zulks ten genoegen van de Administratie:

(i) een sproei-installatie voor water onder druk;

(ii) een brandblusinstallatie met verstikkend gas;

(iii) een brandblusinstallatie waarbij stoffen in dampvorm afkomstig van vluchtige vloeistoffen met een lage giftigheidsgraad zoals broomchloordifluormethaan (BCF) of broomtrifluormethaan (BTM) worden gebruikt; of

(iv) een brandblusinstallatie waarbij schuim met een hoog expansievoud wordt gebruikt.

(b) Wanneer de machinekamers en ketelruimen niet volkomen van elkaar zijn gescheiden of wanneer brandstof olie van het ketelruim in de machinekamer kan vloeien, moeten de betrokken machinekamers en ketelruimen te zamen als één ruimte worden beschouwd.

(2) De in paragraaf (1)(a) genoemde installaties moeten kunnen worden bediend vanaf gemakkelijk toegankelijke plaatsen buiten zodanige ruimten waarvan het niet waarschijnlijk is dat deze ten gevolge van brand in de beschermde ruimte niet kunnen worden bereikt. Voorzieningen moeten getroffen worden ten einde de energievoorziening en watertoevoer zeker te stellen, die noodzakelijk zijn voor de werking van de installatie in geval van brand in de beschermde ruimte.

(3) Schepen die in hoofdzaak of geheel van hout of van met vezels gewapende kunststof zijn vervaardigd en zijn voorzien van oliegestookte ketels of inwendige verbrandingsmotoren, en waarvan het dek boven de ruimte voor. machines van het desbetreffende materiaal is, moeten zijn uitgerust met één van de in paragraaf (1) bedoelde brandblusinstallaties.

(4) Alle ruimten voor machines van categorie A moeten ten minste zijn voorzien van twee draagbare brandblustoestellen van een type dat geschikt is om tevens oliebranden te blussen. Wanneer in zulke ruimten machines zijn opgesteld met een totaal vermogen van niet minder dan 250 kilowatt, moeten deze ruimten voorzien zijn van ten minste drie van zodanige brandblustoestellen. Eén van de brandblustoestellen moet nabij de toegang tot de ruimte worden geplaatst.

(5) Schepen waarvan de ruimten voor machines niet zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie moeten ten minste voorzien zijn van een schuimbrandblustoestel met een inhoud van 45 liter of een daaraan gelijkwaardig gesteld toestel waarmee oliebranden kunnen worden bestreden. Wanneer ten gevolge van de afmetingen van de ruimten voor machines deze voorziening praktisch niet uitvoerbaar is, kan de Administratie een extra aantal draagbare brandblustoestellen aanvaarden.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl