Voorschrift 74 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- BRANDBEVEILIGINGSMAATREGELEN BIJ SCHEPEN WAARVAN DE LENGTE 55 METER OF MEER BEDRAAGT
(1) Trappen en ladders die leiden naar en van ruimten voor accommodatie en in ruimten, waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, moeten zo zijn aangebracht, dat met behulp daarvan het open dek en vandaar de reddingboten en -vlotten gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder geldt met betrekking tot deze ruimten, dat:
(a) op alle niveaus waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, ten minste twee voorzieningen voor ontsnapping op een grote onderlinge afstand moeten zijn aangebracht, die de normale toegangsvoorzieningen vanuit elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen omvatten;
(b)
(i) onder het blootgestelde dek de hoofdvoorziening voor ontsnapping moet bestaan uit een trap en de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht of trap; en
(ii) boven het aan het weer blootgestelde dek de voorzieningen voor ontsnapping moeten bestaan uit trappen en/of deuren naar een open dek;
(c) bij wijze van uitzondering de Administratie kan toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping wordt aangebracht, indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal der personen, die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding kunnen geven;
(d) de lengte van een gang of gedeelte van een gang, van waaruit slechts één vluchtweg is, niet meer bedraagt dan 7 meter;
(e) de breedte en de mate van het onafgebroken doorlopen van de voorzieningen voor ontsnapping ten genoegen van de Administratie moeten zijn; en
(f) ten genoegen van de Administratie twee voorzieningen voor ontsnapping moeten zijn aangebracht in een radiotelegraaf station, dat geen rechtstreekse toegang tot het open dek heeft.
(2) In elke ruimte voor machines van categorie A moeten twee voorzieningen voor ontsnapping worden aangebracht door middel van één van de volgende inrichtingen:
(a) twee stel stalen ladders, aangebracht op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, die leiden naar eveneens zo ver mogelijk van elkaar verwijderde deuren in het bovenste gedeelte van de ruimte, vanwaar het open dek kan worden bereikt. In het algemeen moet één van deze ladders onafgebroken bescherming tegen brand geven van het onderste gedeelte van de ruimte tot een veilige plaats buiten de ruimte. De Administratie behoeft een zodanige bescherming echter niet te eisen, indien de inrichting en de afmetingen van de ruimte voor machines zodanig zijn, dat een veilige vluchtweg uit het onderste gedeelte van deze ruimte wordt geboden. Deze bescherming moet vervaardigd zijn van staal en waar nodig ten genoegen van de Administratie geïsoleerd zijn en voorzien zijn van een zelfsluitende stalen deur in het onderste uiteinde; of
(b) één stalen ladder die leidt naar een deur in het bovenste gedeelte van de ruimte, vanwaar het open dek kan worden bereikt en bovendien, in het onderste gedeelte van de ruimte en aangebracht op een behoorlijke afstand van deze ladder, een stalen deur die aan beide zijden kan worden bediend en die een veilige vluchtweg uit het onderste gedeelte van de ruimte naar het open dek biedt,
(3) Ten genoegen van de Administratie moeten uit ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, veilige vluchtwegen worden geboden, indien de aard en de ligging van de ruimte en het feit dat daar onder normale omstandigheden geen personen dienst doen, haar daartoe aanleiding zouden geven.
(4) Liften mogen niet worden beschouwd als één van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0