wetzoeker

Voorschrift 116 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- REDDINGMIDDELEN

(1) Reddingmiddelen moeten:

(a)

(i) in geval van nood onmiddellijk beschikbaar zijn;

(ii) veilig en vlug te water kunnen worden gebracht, zelfs onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en bij een slagzij van 15 graden; en

(iii) snel weer opgehesen kunnen worden, indien zij tevens voldoen aan de eisen gesteld voor een „man over boord” boot; en

(b) zo geplaatst zijn dat:

(i) het verzamelen van personen op het inschepingsdek niet wordt bemoeilijkt;

(ii) de vlugge behandeling van de reddingmiddelen niet wordt bemoeilijkt;

(iii) de inscheping snel en in goede orde kan geschieden; en

(iv) de behandeling van andere reddingboten en -vlotten niet wordt bemoeilijkt.

(2) Reddingboten en -vlotten en middelen voor het te water brengen moeten vóór het vaartuig vertrekt in goede staat en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en moeten gedurende de reis te allen tijde zo worden gehouden.

(3)

(a) Reddingboten en -vlotten moeten ten genoegen van de Administratie overeenkomstig paragraaf 7 van Aanhangsel 2 geplaatst zijn.

(b) Elke reddingboot moet onder een afzonderlijk stel davits of goedgekeurd middel voor het te water brengen geplaatst zijn.

(c) Reddingboten en -vlotten moeten zo dicht mogelijk bij de verblijven en dienstruimten zijn opgesteld en zodanig doeltreffend zijn geplaatst, dat het te water brengen veilig kan geschieden, waarbij speciaal gelet moet worden op de noodzaak vrij te blijven van de schroef en van ver uitstekende delen van de romp, ten einde aldus zoveel mogelijk zeker te stellen dat het te water brengen kan geschieden langs een recht gedeelte van de huid. Bij plaatsing op het voorschip dienen zij achter het aanvaringsschot te zijn opgesteld in een beschermde positie. In dit geval dient de Administratie bijzondere aandacht te besteden aan de sterkte van de davits.

(d) De methode van het te water brengen en weer ophijsen van „man over boord” boten moet zijn goedgekeurd, waarbij rekening moet zijn gehouden met het gewicht van de „man over boord” boot met inbegrip van zijn uitrusting en 50 percent van het aantal personen dat hij mag vervoeren, de bouw en afmetingen van de „man over boord” boot en zijn opstelling boven de waterlijn bij de geringste diepgang van het vaartuig tijdens de reis. Elke „man over boord” boot die meer dan 4,5 meter boven de waterlijn bij de geringste diepgang van het vaartuig tijdens de reis is opgesteld, moet voorzien zijn van goedgekeurde middelen voor het te water brengen en weer ophijsen.

(e) Davits moeten van een goedgekeurd type zijn dat voldoet aan de voorschriften van paragraaf 7 van Aanhangsel 2.

(f)

(i) De reddingvlotten moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij in geval van nood onmiddellijk beschikbaar zijn; hun plaatsing moet zodanig zijn dat zij vrij vanaf hun opstelling kunnen opdrijven, zich zelf kunnen opblazen en van een zinkend vaartuig kunnen losraken. Reddingvlotten die echter door middel van davits te water worden gebracht, behoeven niet vrij opdrijvend te zijn.

(ii) Indien sjorringen worden gebruikt, moeten deze zijn voorzien van een automatisch (hydrostatisch) ontkoppelingssysteem van een goedgekeurd type.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl