wetzoeker

Voorschrift 110 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- REDDINGMIDDELEN

(1) Elk vaartuig moet met ten minste twee reddingmiddelen in de vorm van reddingboten en -vlotten zijn uitgerust.

(2) Aantal, inhoud en type van reddingboten en -vlotten en van „man over boord” boten van vaartuigen waarvan de lengte 75 meter en meer bedraagt, moeten voldoen aan de volgende bepalingen;

(a) reddingboten en -vlotten moeten aanwezig zijn die gezamenlijk voldoende ruimte bieden om aan beide zijden van het vaartuig alle opvarenden op te kunnen nemen. De Administratie moet het aantal zelf opdrijvende vlotten vaststellen dat aan boord benodigd is. Er moeten echter zoveel zelf opdrijvende reddingvlotten aanwezig zijn, dat ten minste 50 percent van de opvarenden opgenomen kunnen worden. Met dien verstande echter, dat indien op het vaartuig voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van de waterdichte indeling, de lekstabiliteit en de constructieve brandbescherming die uitgaan boven die, welke zijn vereist in Voorschrift 40 en in Hoofdstuk V, en de Administratie van oordeel is dat ten gevolge een vermindering van het aantal reddingboten en -vlotten, alsmede de plaatsruimte die zij bieden, de veiligheid niet nadelig wordt beïnvloed, de Administratie deze vermindering kan toestaan op voorwaarde dat de gezamenlijke plaatsruimte die reddingboten en -vlotten bieden die aan iedere zijde van het vaartuig aanwezig zijn, voldoende is om ten minste 50 percent van de opvarenden op te nemen. Bovendien moeten voor ten minste 50 percent van het totale aantal opvarenden reddingvlotten aanwezig zijn;

(b) ten minste één van de reddingboten bedoeld in subparagraaf (a), moet een motorreddingboot zijn;

(c) een motor „man over boord” boot moet aanwezig zijn, tenzij het vaartuig is uitgerust met een geschikt reddingmiddel dat voldoet aan de eisen gesteld voor een motor „man over boord”;

(d) wanneer het totale aantal opvarenden 100 of meer bedraagt, moeten ten minste twee van de reddingboten als bedoeld in sub-paragraaf (a), motorreddingboten zijn waarvan één aan elke zijde van het vaartuig moet zijn geplaatst; en

(e) wanneer het totale aantal opvarenden 200 of meer bedraagt, moeten ten minste twee van de reddingboten als bedoeld in sub-lid (a), vaste motorreddingboten zijn en waarvan één aan elke zijde van het vaartuig moet zijn geplaatst.

(3) Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 meter, doch 45 meter of meer bedraagt, moeten zijn uitgerust met:

(a) reddingboten en -vlotten die gezamenlijk voldoende ruimte bieden om aan beide zijden van het vaartuig alle opvarenden op te kunnen nemen, met inbegrip van zelf opdrijvende reddingvlotten die gezamenlijk voldoende ruimte bieden om ten minste 50 percent van het totale aantal opvarenden op te kunnen nemen;

(b) een „man over boord” boot, tenzij het vaartuig is uitgerust met een geschikt reddingmiddel dat voldoet aan de eisen gesteld voor een „man over boord” boot; en

(c) een motorreddingboot aan beide zijden van het vaartuig, in geval het totale aantal opvarenden 100 of meer bedraagt.

(4) Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moeten zijn uitgerust met:

(a) reddingboten en -vlotten die gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan ten minste 200 percent van het totale aantal opvarenden. Een voldoende aantal van de reddingboten en -vlotten die ten minste het totale aantal opvarenden moeten kunnen opnemen, moeten aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten. De Administratie kan echter een vermindering van de vereiste plaatsruimte en van het vereiste aantal reddingboten en -vlotten toestaan, indien zij overtuigd is dat de reis- en weersomstandigheden geen nadelige invloed zullen hebben op de veiligheid van het vaartuig en zijn bemanning. Er moeten echter wel reddingboten en -vlotten aanwezig zijn om ten minste 100 percent van de opvarenden op te kunnen nemen; en

(b) een „man over boord” boot, behalve wanneer de Administratie overtuigd is dat vanwege de afmetingen en manoeuvreerbaarheid van het vaartuig, de direct aanwezige opsporings- en reddingsfaciliteiten vanaf de wal en de meteorologische waarschuwingssystemen alsmede vanwege de werkzaamheden van het vaartuig in vaargebieden die niet zijn blootgesteld aan zwaar weer of vanwege de werkzaamheden van het vaartuig die aan een bepaald jaargetijde zijn gebonden, de aanwezigheid van een dergelijke boot niet noodzakelijk is.

(5) Wanneer de afstand van het inschepingsdek tot aan de waterlijn bij de geringste diepgang tijdens de reis meer dan 4,5 meter bedraagt, moeten de reddingboten en -vlotten, met uitzondering van de zelf opdrijvende reddingvlotten, met volledige bezetting door middel van davits te water kunnen worden gelaten, dan wel voorzien zijn van gelijkwaardige goedgekeurde middelen voor de inscheping in de reddingboten en -vlotten.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl