Voorschrift 41 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- ALGEMEEN
Machine-installaties
(1) Hoofdvoortstuwings-, bedienings-, stoomleiding-, brandstofolie-, aanzetlucht-, elektrische- en koelsystemen, hulpwerktuigen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen voor krachtoverbrenging moeten ontworpen, geconstrueerd, beproefd, aangebracht en onderhouden worden ten genoegen van de Administratie. Deze machine-installaties en uitrusting te zamen met hefwerktuigen, lieren, werktuigen voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn beveiligd dat de opvarenden zo min mogelijk gevaar lopen. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren.
(2) Ruimten voor machines moeten zodanig ontworpen zijn dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De desbetreffende ruimten moeten voldoende geventileerd zijn.
(3)
(a) Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan het voortstuwingsvermogen kan worden gehandhaafd of hersteld, zelfs in het geval één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt. Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de werking van:
(i) de inrichtingen die zorgen voor de brandstoftoevoer voor de hoofdvoortstuwingsinstallaties;
(ii) de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen;
(iii) de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie, met inbegrip van de verstelbare schroeven;
(iv) middelen om de watertoevoer ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie te verzorgen; en
(v) een luchtcompressor en een luchtketel voor aanzet- of bedieningsdoeleinden;
met dien verstande dat de Administratie, rekening houdende met de algemene veiligheidsoverwegingen, een gedeeltelijk verminderd vermogen in plaats van het totale vermogen van de bedrijfsomstandigheden kan aanvaarden.
(b) Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werkimg kan worden gesteld vanuit een dood-schip situatie zonder dat hulp van buiten wordt geboden.
(4) Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn aangebracht, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt of tot 15 graden slagzij maakt naar beide zijden onder statische omstandigheden, dan wel tot 22½ graden slagzij naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, d.w.z. wanneer het vaartuig naar beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamische stampbeweging tot 7½ graden over boeg of achtersteven. De Administratie kan toestaan dat van deze hoeken wordt afgeweken, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig.
(5) Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen, opdat elke vorm van trillingen, geen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen veroorzaken in de normale bedrijfsgebieden.
Elektrische installaties
(6) Het ontwerp en de constructie van elektrische installaties moeten zodanig zijn dat zij voorzien in:
(a) het onderhouden van voor de normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid, zonder dat een toevlucht behoeft te worden genomen tot een noodkrachtbron;
(b) voor de veiligheid onontbeerlijke voorzieningen, ingeval de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt; en
(c) de bescherming van de bemanning en van het vaartuig tegen de gevaren van elektrische aard.
(7) De Administratie moet overtuigd zijn dat de Voorschriften 54 tot en met 56 onveranderlijk zijn nagekomen en toegepast.
* [Red: Zie ook de Aanbeveling die is uitgegeven door de Internationale Elektrotechnische Commissie en in het bijzonder Publikatie 92 inzake de elektrische installaties aan boord van schepen.]
Tijdelijk onbemande ruimten voor machines
(1) Behalve de Voorschriften 41 tot en met 56 en 63 tot en met 105 zijn de Voorschriften 57 tot en met 62 van toepassing op vaartuigen waarvan de ruimten voor machines tijdelijk onbemand zijn.
(2) Ten genoegen van de Administratie moeten zodanige maatregelen genomen worden ten einde zeker te stellen dat alle uitrusting onder alle bedrijfsomstandigheden, waaronder het manoeuvreren, op betrouwbare wijze functioneert en dat voorzieningen worden getroffen met het oog op regelmatige inspecties en routinetests ten einde een voortdurende betrouwbare werking te verzekeren, een en ander ten genoegen van de Administratie.
(3) Vaartuigen moeten van documenten voorzien zijn waaruit hun geschiktheid blijkt om met tijdelijk onbemande ruimten voor machines te varen, een en ander ten genoegen van de Administratie.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0