wetzoeker

7 — Eisen waaraan de plaatsing en davits van reddingboten en -vlotten moeten voldoen Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Eisen waaraan de plaatsing en davits van reddingboten en -vlotten moeten voldoen

7.1 Behalve ingeval een ander middel voor het te water is goedgekeurd, moeten de davits:

(a) klapdavits of zwaartekrachtdavits zijn voor het behandelen van reddingboten die, volledig uitgerust en bemand met de bedieningsmanschappen, een gewicht hebben dat niet meer bedraagt dan 2300 kilogram;

(b) zwaartekrachtdavits zijn voor het behandelen van reddingboten die, volledig uitgerust en bemand met de bedieningsmanschappen, een gewicht hebben dat meer bedraagt dan 2300 kilogram.

7.2 Davits, lopers, blokken en overige toebehoren moeten van zodanige sterkte zijn, dat de reddingboten, bemand met de bedieningsmanschappen bestaande uit twee personen, buitenboord gebracht kunnen worden en vervolgens met volledige bezetting en uitrusting veilig te water gebracht kunnen worden bij een slagzij van het vaartuig van 15 graden en bij een kop- of stuurlast van 10 graden.

7.3 Wanneer werktuiglijk bewogen inrichtingen voor het ophijsen van de reddingmiddelen aanwezig zijn, moet daarop tevens een handbeweging zijn aangebracht. Wanneer davits binnenboord gedraaid worden door middel van werktuiglijk gedreven lopers, moet een veiligheidsinrichting zijn aangebracht, die automatisch de drijfkracht uitschakelt vóórdat de davits tegen de eindnokken stoten, ten einde te veel spanning op de staaldraadlopers of davits te voorkomen.

7.4 Reddingboten en door middel van davits te water gebrachte reddingvlotten moeten bediend worden met staaldraadlopers en lieren van een goedgekeurd type. In het geval van „man over boord” boten mag de Administratie het gebruik van manilla-lopers of lopers van een ander goedgekeurd materiaal met of zonder lieren toestaan, wanneer de afstand vanaf het dek tot aan de waterlijn van het vaartuig bij de geringste diepgang tijdens de reis niet meer dan 4,5 meter bedraagt en in andere gevallen, wanneer zij overtuigd is dat manilla-lopers of lopers van een ander goedgekeurd materiaal afdoende zijn.

7.5 Glijspanten of andere doelmatige middelen moeten zijn aangebracht, ten einde het te water brengen van de reddingboten tegen een slagzij van 15 graden in te vergemakkelijken.

7.6 Middelen moeten aanwezig zijn om de reddingboten of de strijkbare reddingvlotten tegen het scheepsboord te brengen en daar te houden, zodat personen veilig kunnen worden ingescheept.

7.7 Ten minste twee maneinden moeten aan de middenleider zijn aangebracht. De lopers en de maneinden moeten van voldoende lengte zijn om tot op het water te reiken, indien het vaartuig bij de geringste diepgang tijdens de reis een slagzij van 15 graden heeft. De onderblokken moeten voorzien zijn van een doelmatige ring of lange schalm voor het inhoeken van de hijshaken, tenzij een goedgekeurd type valpatent is aangebracht.

7.8 De lopers van aan davits bevestigde reddingboten moeten gereed zijn voor gebruik en voorzieningen moeten zijn getroffen voor het snel, doch niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig uithoeken van de onderblokken. De ophangpunten van de reddingboten aan de onderblokken moeten zover boven het dolboord liggen, dat de reddingboten tijdens het vieren voldoende stabiel zijn.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl