5 — „Man over boord” boten Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
„Man over boord” boten
5.1 Vaste „man over boord” boten
5.1.1 „Man over boord” boten moeten open zijn en met vaste boorden geconstrueerd zijn. De Administratie kan „man over boord” boten, voorzien van een vaste overkapping, goedkeuren, mits deze zowel van binnenuit als van buitenaf gemakkelijk kan worden geopend en geen belemmering vormt voor het gebruik van de „man over boord” boot, voor het snel inschepen en ontschepen of voor het te water brengen, behandelen en ophijsen van de „man over boord” boot.
5.1.2 Doften en zijbanken moeten zo laag als praktisch mogelijk is in de „man over boord” boot zijn aangebracht en moet tevens zijn voorzien van bodemplanken.
5.1.3 Middelen voor het inwendige drijfvermogen moeten zijn aangebracht, die zodanig zijn geplaatst, dat de stabiliteit verzekerd blijft wanneer de „man over boord” boot onder ongunstige weersomstandigheden vol belast is.
5.1.4 Middelen voor het inwendige drijfvermogen moeten zijn aangebracht, die moeten bestaan uit luchtkasten of drijvend materiaal dat bestand is tegen aantasting door olie of olieprodukten en dat de „man over boord” boot niet mag aantasten.
5.1.5 Het totale volume van de middelen voor het inwendige drijfvermogen moet zodanig zijn, dat het ten minste gelijk is aan de som van het volume van:
(a) hetgeen vereist is om de „man over boord” boot met volledige uitrusting zodanig drijvende te houden wanneer de „man over boord” boot volgeslagen is en de zee vrij kan binnendringen, dat de bovenkant van het dolboord midscheeps niet onder water komt; en
(b) hetgeen gelijk is aan 7,5 percent van de kubieke inhoud van de „man over boord” boot, die op dezelfde wijze moet worden bepaald als in Voorschrift 112 voor reddingboten is voorgeschreven.
5.1.6 Wanneer de „man over boord” boot met een motor is uitgerust, moet een voldoende beveiliging rond de schroef zijn aangebracht ter bescherming van in het water liggende personen.
5.1.7 „Man over boord” motorboten moeten zijn uitgerust met een hogedrukmotor, die steeds gereed moet zijn voor gebruik en onder alle omstandigheden gemakkelijk gestart moet kunnen worden. De snelheid van de „man over boord” motorreddingboten bij vooruit varen moet in kalm water bij volle belasting met personen ten minste zes zeemijlen per uur zijn.
5.2 Opblaasbare „man over boord” boten
5.2.1 De „man over boord” boot moet zo zijn geconstrueerd, dat deze, drijvende blootgesteld aan welke toestanden van de zee ook, gedurende 30 dagen tegen invloeden van weer en wind bestand is.
5.2.2 De „man over boord” boot moet opgeblazen kunnen worden bij temperaturen tussen plus 66 graden celsius en minus 30 graden celsius.
5.2.3 Materialen, onderdelen en toebehoren, gebruikt bij de constructie van „man over boord” boten, moeten goedgekeurd zijn en bestand zijn tegen de inwerking van vocht, biologische inwerking en olie en olieprodukten en in hoge mate bestand zijn tegen ultraviolette straling; zij moeten een voldoende duurzaamheidsmarge hebben, zodat zeker is dat de bruikbaarheid van de „man over boord” boten niet nadelig wordt beïnvloed ten gevolge van het feit dat zij gedurende het tijdvak tussen de normale inspecties op het dek zijn opgesteld, zonder dat aan deze boten enig ander onderhoud geschiedt dan datgene wat door de bemanning kan worden gedaan.
5.2.4 De drijfcompartinnenten die de buitenzijde van de „man over boord”-boot vormen, moeten in opgeblazen toestand voorzien in ten minste 0,17 kubieke meter inhoud per persoon, waarvoor de „man over boord”-boot bestemd is. De diameter van het hoofddrijfcompartiment van een „man over boord” boot met één enkele drijfkamer moet ten minste 400 millimeter bedragen.
5.2.5 Met behulp van een aantal afzonderlijke compartimenten moet op zodanige wijze in het drijfvermogen zijn voorzien, dat het leeglopen van enig compartiment het doelmatig gebruik van de „man over boord” boot niet verhindert.
5.2.6 Elk drijfcompartiment moet zijn voorzien van een terugslagklep voor het met de hand oppompen en van een ontluchtingsventiel. Tevens moet een veiligheidsventiel zijn aangebracht, tenzij de Administratie van oordeel is dat een dergelijke voorziening niet noodzakelijk is.
5.2.7. Indien meer dan één drijfkamer is aangebracht, mag het volume van elke drijfkamer niet meer bedragen dan 60 percent van het totale volume.
5.2.8 Een „man over boord” boot die door middel van riemen wordt voortbewogen, moet zijn voorzien van roeidollen en doften. Doften moeten zo laag als praktisch mogelijk is in de boot zijn aangebracht.
5.2.9 De vloer van de „man over boord” boot moet waterdicht zijn en een deugdelijke werkbare ondergrond bieden.
5.2.10 Schavielstrippen moeten aan de onderzijde en op kwetsbare plaatsen aan de buitenzijde van de „man over boord” boot ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht.
5.2.11 Wanneer een spiegel is aangebracht, mag deze niet meer dan op 25 percent binnen de totale lengte van de „man over boord” boot zijn aangebracht.
5.2.12 Tenzij de „man over boord” boot een voldoende zeeg heeft, moet deze voorzien zijn van een buiskap die ten minste 15 percent van de totale lengte van de boot overdekt.
5.2.13 Het bovendeel van de „man over boord” boot of de buiskap moeten een zeer goed waarneembare kleur hebben.
5.2.14 Deugdelijke patches moeten aanwezig zijn om de vanglijnen voor- en achterin en de in bochten hangende grijplijn aan de binnen- en buitenzijde van de „man over boord” boot te bevestigen.
5.2.15 Wanneer de „man over boord” boot met een motor is uitgerust, moet voldoende beveiliging tegen de schroef zijn aangebracht ter bescherming van in het water liggende personen.
5.2.16 De „man over boord” boot moet steeds in opgeblazen toestand worden gehouden, tenzij goedgekeurde middelen aanwezig zijn voor het snel opblazen van de „man over boord” boot en voor bescherming tegen beschadiging van de niet opgeblazen „man over boord” boot.
5.2.17 De „man over boord” boot moet gemakkelijk gekeerd kunnen worden, wanneer deze ondersteboven drijft.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0