3 — Inhoud van vaste reddingboten Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Inhoud van vaste reddingboten
3.1 De inhoud van een reddingboot in kubieke meters berekend met behulp van de regel van Stirling, kan beschouwd worden te zijn uitgedrukt door de formule:
L1/12 (4A + 2B + 4C)
waarbij L1 de lengte is van de reddingboot in meters, gemeten van de binnenzijde van de houten of metalen huid aan de voorsteven tot het overeenkomstige punt aan de achtersteven; voor een reddingboot met platte spiegel wordt de lengte gemeten tot de binnenkant van de spiegel; A, B en C geven respectievelijk de oppervlakken der dwarsdoorsneden aan op een vierde van de lengte van voren gerekend, midscheeps en op een vierde van de lengte van achteren, welke overeenkomen met de drie deelpunten die verkregen worden door L1 in vier gelijke delen te verdelen. (Aangenomen wordt dat de oppervlakken aan de uiteinden van de boot kunnen worden verwaarloosd.)
De oppervlakken A, B en C worden geacht in vierkante meters te worden verkregen door de volgende formule achtereenvolgend op elk der drie dwarsdoorsneden toe te passen:
h/12 (a + 4b + 2c + 4d + e )
waarbij h de holte is in meters, gemeten van de binnenzijde van de houten of metalen huid van de kiel tot de lijn van bovenkant dolboord of, in bepaalde gevallen, tot een lagere hoogte als hierna aangegeven; a, b, c, d en e geven de horizontale breedten van de reddingboot aan in meters, gemeten op de twee uiterste punten van de holte, alsmede op de drie deelpunten die verkregen worden door deling van h in vier gelijke delen (a en e zijn de breedten aan de uiteinden en c die in het midden van h).
3.2 Indien de zeeg van het dolboord, gemeten op twee punten gelegen op een vierde van de lengte van de reddingboot, van de uiteinden af gerekend meer bedraagt dan één percent van de lengte van de reddingboot, moeten de holten welke gebruikt worden voor de berekening der oppervlakken van de dwarsdoorsneden A of C geacht worden gelijk te zijn aan de holte van de reddingboot in het midden, vermeerderd met één percent van de lengte van de boot.
3.3 Indien de holte van de reddingboot in het midden meer bedraagt dan 45 percent van de breedte, moet de holte, te gebruiken voor de berekening van het oppervlak van de midscheepse dwarsdoorsnede B, geacht worden gelijk te zijn aan 45 percent van de breedte, en de holte, te gebruiken voor de berekening van de oppervlakken van de op een vierde van de lengte van voren en van achteren gelegen doorsneden A en C, verkregen worden door de voor de doorsnede B gebruikte holte te vermeerderen met een hoeveelheid gelijk aan één percent van de lengte van de reddingboot, met dien verstande dat de holten, voor de berekening van de oppervlakken A en C gebruikt, in geen geval de werkelijke holten op die punten mogen overschrijden.
3.4 Indien de holte van de redddingboot meer bedraagt dan 1,22 meter, moet het aantal personen, dat bij de toepassing van dit Aanhangsel wordt verkregen op de wijze vermeld in Voorschrift 112, evenredig met de verhouding van 1,22 meter tot de werkelijke holte worden verminderd, totdat uit een proef met de reddingboot te water met dit aantal inzittenden, allen voorzien van reddinggordels van een goedgekeurd type, blijkt dat het aldus kan worden vastgesteld.
3.5 De Administratie moet, met behulp van geschikte formules, een grens bepalen voor het toe te laten aantal personen in reddingboten, die voor en achter zeer scherp toelopen en in reddingboten, welke een zeer volle vorm hebben.
3.6 De Administratie mag voor een reddingboot, gebouwd van planken, een inhoud vaststellen gelijk aan 0,6 maal het produkt van lengte, breedte en holte, indien vaststaat dat deze formule geen grotere inhoud oplevert dan die bij de bovengenoemde wijze van berekening verkregen. De afmetingen dienen dan als volgt te worden bepaald:
Lengte: Tussen de aansnijding van de buitenzijde van de huid met de voorsteven en het overeenkomende punt aan de achtersteven, dan wel, bij een boot met platte spiegel, tot de achterkant van de spiegel.
Breedte: Op de buitenkant van de huid ter plaatse van de grootste breedte.
Holte: In het midden van de boot, van de binnenzijde van de huid bij de kiel tot de lijn van bovenkant dolboord; de holte voor de berekening van de kubieke inhoud mag echter in geen geval groter zijn dan 45 percent van de breedte.
In alle gevallen heeft de eigenaar van het vaartuig het recht te eisen, dat de kubieke inhoud van de reddingboot door nauwkeurige meting zal worden bepaald.
3.7 De kubieke inhoud van een motorreddingboot wordt verkregen door de bruto inhoud te verminderen met de inhoud van de ruimte, ingenomen door de motor met toebehoren en, zo deze aan boord zijn, met die, ingenomen door de radiotelegrafie-installatie en het zoeklicht met hun toebehoren.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0