wetzoeker

1 — Constructie van reddingboten Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

Constructie van reddingboten

1.1 Vaste reddingboten

1.1.1 Reddingboten moeten vaste boorden hebben en mogen alleen binnenboord van reservedrijfvermogen zijn voorzien. De Administratie kan reddingboten, voorzien van een vaste overkapping, goedkeuren, mits deze zowel van binnenuit als van buitenaf gemakkelijk kan worden geopend en geen belemmering vormt voor snel inschepen en ontschepen of voor het te water brengen en behandelen van de reddingboot.

1.1.2 Reddingboten moeten een lengte hebben van niet minder dan 7,30 meter, behalve wanneer de Administratie in verband met de afmetingen van het vaartuig of om andere redenen van oordeel is dat het aan boord plaatsen van zulke reddingboten onredelijk of onuitvoerbaar is. Geen reddingboot mag een lengte van minder dan 4,90 meter hebben.

1.1.3 Geen reddingboot mag worden goedgekeurd, waarvan het gewicht met volle belasting aan personen en uitrusting meer bedraagt dan 20.300 kilogram of welke plaatsruimte heeft voor meer dan 150 personen, berekend overeenkomstig Voorschrift 112(3).

1.1.4 Reddingboten, waarin meer dan 60 personen mogen worden opgenomen, moeten motorreddingboten zijn, die voldoen aan de eisen van paragraaf 2.1 van dit Aanhangsel.

1.1.5 Reddingboten moeten voldoende sterk zijn om zonder gevaar met volle bezetting en volledige uitrusting te water te kunnen worden gevierd en moeten, wanneer onderworpen aan een overbelasting van 25 percent, daarvan geen blijvende vervorming ondervinden.

1.1.6 Reddingboten moeten een gemiddelde zeeg hebben, die ten minste gelijk is aan 4 percent van hun lengte. De zeeg moet van ongeveer parabolische vorm zijn.

1.1.7 Reddingboten moeten eigen drijfvermogen hebben of voorzien zijn van waterdichte luchtkasten of ander gelijkwaardig roestvrij drijvend materiaal dat bestand is tegen aantasting door olie of olieprodukten, voldoende om de reddingboot met uitrusting drijvende te houden, wanneer deze volgeslagen is en de zee vrij kan binnendringen. Er moet worden gezorgd voor een aanvullend volume aan waterdichte luchtkasten of ander gelijkwaardig roestvrij drijvend materiaal dat niet wordt aangetast door olie of olieprodukten, gelijk aan ten minste een tiende van de kubieke inhoud van de reddingboot. De Administratie mag toestaan, dat de waterdichte luchtkasten opgevuld worden met roestvrij drijvend materiaal dat bestand is tegen aantasting door olie of olieprodukten.

1.1.8 Doften en zijbanken moeten zo laag als praktisch mogelijk is in de reddingboot zijn aangebracht.

1.1.9 De volheidscoëfficiënt van de overeenkomstig paragraaf 3 van dit Aanhangsel bepaalde kubieke inhoud van reddingboten, uitgezonderd houten reddingboten vervaardigd van planken, mag niet kleiner zijn dan 0.64; een zodanige reddingboot mag evenwel een volheidscoëfficiënt hebben die kleiner is dan 0,64, indien ten genoegen van de Administratie is aangetoond dat de metacentrische hoogte en het vrijboord van de reddingboot voldoende zijn bij volle bezetting en volledige uitrusting.

1.1.10 Voorzieningen moeten zijn getroffen om de antenne, behorend bij de draagbare radio-installatie als bedoeld in Voorschrift 122, deugdelijk aan te brengen en in operationele stand vast te zetten.

1.2 Reddingboten in opgeblazen toestand

1.2.1 Het drijfvermogen van de reddingboot moet bestaan uit ten minste twee opgeblazen drijfkamers die aan beide zijden van de reddingboot op elkaar zijn aangebracht.

1.2.2 De drijfkamers moeten van goedgekeurd materiaal vervaardigd zijn.

1.2.3

(a) De minimumdiameter van de drijfkamers mag niet kleiner zijn dan:

(i) 350 millimeter voor reddingboten die niet meer dan 15 personen mogen vervoeren; en

(ii) 400 millimeter voor reddingboten die meer dan 15 personen mogen vervoeren.

(b) Waneer de diameters van drijfkamers niet gelijk zijn, moet de drijfkamer met de grootste diameter de onderste drijfkamer zijn.

1.2.4 Het drijfvermogen van de reddingboot moet in geval van volle bezetting en volledige uitrusting zodanig zijn aangebracht dat door een verdeling in een aantal afzonderlijke compartimenten de zekerheid bestaat, dat na verlies van 50 percent van zijn drijfvermogen in één of meer gedeelten van zijn drijfkamers, de reddingboot stabiel blijft en in voldoende mate zijn vorm behoudt ten einde genoeg ruimte te verschaffen aan de volle bezetting van de boot. Elk compartiment moet afzonderlijk kunnen worden opgeblazen.

1.2.5 Reddingboten moeten zo zijn geconstrueerd, dat zij onder alle bedrijfs- en beladingsomstandigheden hun vorm en stijfheid behouden.

1.2.6 Reddingboten moeten zo geconstrueerd zijn dat zij, drijvende blootgesteld aan welke toestanden van de zee ook, gedurende 30 dagen tegen invloeden van weer en wind bestand zijn en een voldoende duurzaamheidsmarge hebben, zodat zeker is dat hun bruikbaarheid niet nadelig wordt beïnvloed ten gevolge van het feit dat zij gedurende het tijdvak tussen de normale inspecties op het dek zijn opgesteld.

1.2.7 De vloer van reddingboten moet waterdicht zijn en een deugdelijke werkbare ondergrond bieden die voldoende sterk is om alle krachten te kunnen weerstaan, waaraan hij onder alle bedrijfsomstandigheden, met inbegrip van het te water vieren van de reddingboot met volle bezetting en volledige uitrusting, onderhevig kan zijn.

1.2.8 Elke reddingboot moet bij volle bezetting en volledige uitrusting een voldoende en positieve aanvangsstabiliteit hebben.

1.2.9 Het verhoudingsgetal tussen lengte en breedte van een reddingboot mag niet groter zijn dan 2,2, tenzij de Administratie overtuigd is dat afwijking van dit verhoudingsgetal de zeewaardigheid van de reddingboot niet vermindert.

1.2.10 Reddingboten moeten voldoende sterk zijn om zonder gevaar met volle bezetting en volledige uitrusting te water te kunnen worden gevierd. Zij moeten sterk genoeg zijn om een beproeving met een overbelasting van 25 percent te kunnen doorstaan zonder dat daarvan een aanzienlijke verwringing en een daaruit ontstane vervorming het gevolg is.

1.2.11 Materialen gebruikt bij de constructie van reddingboten moeten bestand zijn tegen aantasting door olie of olieprodukten en tevens in hoge mate bestand zijn tegen ultraviolette straling. De reddingboot moet gebruikt kunnen worden bij temperaturen tussen plus 66 graden celsius en minus 30 graden celsius.

1.2.12 Roei- en zitdoften moeten zo laag als praktisch mogelijk is in de reddingboot zijn aangebracht. Een voldoende aantal stabilisatiezakken moeten op geschikte plaatsen zijn aangebracht, tenzij de Administratie overtuigd is dat de stabiliteit en zeewaardigheid van de reddingboot ook zonder stabilisatiezakken voldoende zijn.

1.2.13 Een deugdelijke overkapping moet zijn aangebracht ten einde de inzittenden tegen weersinvloeden te beschermen. De overkapping en de bovenste drijfkamer moeten van een zeer goed waarneembare kleur zijn.

1.2.14 Een voldoende aantal sterke patches moeten aanwezig zijn voor het bevestigen van hulpstukken en uitrusting.

1.2.15 Schavielstrippen moeten aan de onderzijde van de boot en langs de onderste drijfkamer zijn aangebracht.

1.2.16 Voorzieningen moeten zijn getroffen om de antenne, behorend bij de draagbare radio-installatie als bedoeld in Voorschrift 122, deugdelijk aan te brengen en in operationele stand vast te zetten.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl