wetzoeker

Voorschrift 2 Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969

VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEREKENING VAN DE BRUTO- EN DE NETTO-TONNAGE VAN SCHEPEN

(1) Bovendek

Het bovendek is het bovenste aan weer en wind blootgestelde volledige dek, voorzien van permanente middelen tot waterdichte afsluiting van alle openingen in de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het dek, en waarbeneden alle openingen in de zijden van het schip zijn voorzien van permanente middelen tot waterdichte afsluiting. Op een schip met een verspringend bovendek wordt het laagste gedeelte van het blootgestelde dek en de voortzetting van dat gedeelte evenwijdig aan het verhoogde gedeelte als bovendek beschouwd.

(2) Holte naar de mal

(a) De holte naar de mal is de verticale afstand gemeten van de bovenkant van de kiel tot de onderkant van het bovendek in de zijde. Bij houten en composiet schepen wordt de afstand gemeten vanaf de binnenkant van de sponning in de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van de grootspant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de afstand gemeten van het punt, waar de lijn die van het vlakke deel van het scheepsvlak naar hart schip wordt doorgetrokken de zijkant van de kiel snijdt.

(b) Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd moet de holte naar de mal worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenkant der balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant der spanten.

(c) Indien het bovendek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden bepaald, wordt de holte naar de mal gemeten tot de lijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt doorgetrokken.

(3) Breedte

De breedte is de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de huid bij een schip met een huid van ander materiaal.

(4) Ingesloten ruimten

Ingesloten ruimten zijn alle ruimten, die begrensd worden door de huid van het schip, door vaste of verplaatsbare wanden of schotten, door dekken of bedekkingen, anders dan vaste of wegneembare dekzeilen. Onderbrekingen van het dek, openingen in de scheepshuid, in een dek of een bedekking van een ruimte of in de wanden of schotten van een ruimte, vormen, evenmin als het ontbreken van een wand of een schot een reden om een ruimte niet te rekenen tot de ingesloten ruimten.

(5) Niet in de inhoud begrepen ruimten

Onverminderd de bepalingen van paragraaf 4 van dit Voorschrift worden de in de subparagrafen (a) tot en met (e) van deze paragraaf omschreven ruimten „niet in de inhoud begrepen ruimten” genoemd en worden zij niet gerekend te behoren tot het volume van de ingesloten ruimten; evenwel dienen zodanige ruimten, die voldoen aan ten minste een van de volgende drie voorwaarden, te worden behandeld als een ingesloten ruimte:

- de ruimte is voorzien van planken of andere middelen voor het vastzetten van lading of voorraden;

- de openingen zijn voorzien van enige middelen tot sluiting;

- de constructie voorziet in enige mogelijkheid tot het sluiten van die openingen.

(a) (i) Een ruimte gelegen binnen een bovenbouw, grenzend aan een zich van dek tot dek uitstrekkende eindopening - waarbij een gordijnplaat, met een hoogte van niet meer dan 25 millimeter (1 inch) boven die van de aangrenzende dekbalken niet in aanmerking wordt genomen - en welke opening een breedte heeft van 90 procent of meer van de dekbreedte ter plaatse van de opening.

Deze bepaling dient zodanig te worden toegepast, dat van de ingesloten ruimten alleen die ruimte niet in de inhoud wordt begrepen, welke gelegen is tussen de werkelijke eindopening en een lijn evenwijdig aan de lijn of het vlak van de opening op een afstand van die opening gelijk aan de helft van de dekbreedte ter plaatse van de opening.

(Figuur 1 van Aanhangsel 1.).

(a) (ii) Indien de breedte van de ruimte door een bepaalde constructie, met uitzondering van het naar elkaar toelopen van de huidbeplating, minder wordt dan 90 procent van de dekbreedte, wordt alleen de ruimte, gelegen tussen de lijn van de opening en een evenwijdige lijn door het punt waar de dwarsscheepse breedte van de ruimte gelijk aan of minder wordt dan 90 procent van de dekbreedte, niet in de inhoud van de ingesloten ruimten begrepen.

(Figuren 2, 3 en 4 van Aanhangsel 1.).

(a) (iii) Wanneer een tussenruimte, welke op verschansingen of open relingwerk na geheel open is, twee willekeurige ruimten - waarvan een of beide volgens de subparagrafen (a)(i) en/of (a)(ii) aangemerkt kunnen worden als „niet in de inhoud begrepen ruimten” - van elkaar scheidt zal de betrokken ruimte of zullen de betrokken ruimten niet als zodanig aangemerkt worden, indien de afstand tussen de twee ruimten minder is dan de kleinste halve dekbreedte ter plaatse van de scheiding.

(Figuren 5 en 6 van Aanhangsel 1.).

(b) Een overdekte ruimte, blootgesteld aan weer en wind, met, aan de blootgestelde zijden, geen andere verbinding met de scheepsromp dan de voor ondersteuning benodigde stutten.

In een dergelijke ruimte kunnen open relingwerk of een verschansing en gordijnplaat aangebracht worden, of stutten aan de scheepszijden, mits de afstand tussen de bovenkant van het relingwerk of de verschansing en de gordijnplaat niet minder bedraagt dan 0,75 meter (2½ voet) of een derde van de hoogte van de ruimte, welke van beide de grootste is.

(Figuur 7 van Aanhangsel 1.).

(c) Een ruimte in een zich van boord tot boord uitstrekkende bovenbouw gelegen tussen tegenover elkaar gelegen zijopeningen met een hoogte niet minder dan 0,75 meter (2½ voet) of een derde van de bovenbouwhoogte, welke van beide de grootste is.

Indien in een dergelijke bovenbouw de opening slechts aan één zijde is aangebracht, zal de ruimte, welke als niet in de inhoud begrepen ruimte wordt aangemerkt, binnenwaarts gemeten, vanaf de opening, beperkt worden tot een maximum van de helft van de dekbreedte ter plaatse van de opening.

(Figuur 8 van Aanhangsel 1).

(d) Een ruimte in een bovenbouw, onmiddellijk gelegen onder een niet afgedekte opening in het daarboven gelegen dek, mits een dergelijke opening aan weer en wind is blootgesteld en de ruimte welke niet als de ingesloten ruimte wordt aangemerkt begrensd wordt door de oppervlakte van de opening.

(Figuur 9 van Aanhangsel 1).

(e) Een nis in een buitenwand van een aan weer en wind blootgestelde bovenbouw, waarvan de opening, zonder mogelijkheid tot afsluiting, zich van dek tot dek uitstrekt, mits de binnenwaarts gelegen breedte nergens groter is dan de breedte bij de ingang en de binnenwaartse lengte in de bovenbouw niet groter is dan tweemaal de breedte van de ingang.

(Figuur 10 van Aanhangsel 1).

(6) Passagiers

Passagiers zijn alle personen met uitzondering van:

a. de kapitein en de schepelingen of andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn;

b. kinderen beneden de leeftijd van een jaar.

(7) Ladingruimten

Ladingruimten, begrepen in de berekening van de nettotonnage, zijn ingesloten ruimten, geschikt voor het vervoer van uit het schip te lossen lading, mits zodanige ruimten begrepen zijn in de berekening van de bruto-tonnage. Deze ladingruimten dienen kenbaar te worden gemaakt door hen te merken met de letters CC (cargo compartment), die zodanig moeten worden aangebracht, dat ze duidelijk zichtbaar en niet minder dan 100 millimeter (4 inches) hoog zijn.

(8) Dicht tegen weer en wind

Dicht tegen weer en wind betekent dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen geen water in het schip kan binnendringen.

(9) Audit betekent een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.

(10) Auditprogramma betekent het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.

(11) Implementatiecode betekent de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).

(12) Auditnorm betekent de Implementatiecode.

Regeling
Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969
Afkortingen
TONNAGE 1969
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
28-02-2017
BWB-id
BWBV0003245
Versie
2017-02-28_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl