Voorschrift 18 Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN
Beschikbaarheid van brandstofolie
1 Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en informeert de Organisatie over de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1 Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2 Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oploopt om aan de vereisten te voldoen.
2.3 Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in paragraaf 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4 Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5 Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Kwaliteit van brandstofolie
3 Brandstofolie geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die of dat:
1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
2. schadelijk is voor personeel, of
3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
2. brandstofolie verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de paragrafen 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
2.4.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen of de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
2.4.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
2.4.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
4 Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De paragrafen 5.1, 8.1 en 8.2 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op brandstoffen met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof.
5.1 Voor elk schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over geleverde en aan boord van dat schip gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in Aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
5.2 Voor elk schip waarop de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, dienen gegevens over brandstof met een laag vlampunt of gasvormige brandstof die aan dat schip wordt geleverd en aan boord ervan wordt gebruikt, te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de in de punten 1 tot en met 6 van Aanhangsel V van deze Bijlage gespecificeerde informatie bevat, de dichtheid zoals bepaald volgens een voor het brandstoftype geschikte testmethode, samen met de bijbehorende temperatuur, en een door de vertegenwoordiger van de brandstofleverancier ondertekende en gecertificeerde verklaring dat de brandstofolie in overeenstemming is met paragraaf 3 van dit voorschrift. Daarnaast dient het zwavelgehalte van een brandstof met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof die aan een schip wordt geleverd en specifiek bedoeld is voor gebruik aan boord van dat schip te worden gedocumenteerd op de bunkerafleveringsbon door de leverancier met vermelding van ofwel de feitelijke waarde zoals bepaald volgens een voor het brandstoftype geschikte testmethode of, met instemming van de juiste autoriteit in de haven van levering, een verklaring dat het zwavelgehalte, wanneer met een dergelijke methode getest, lager is dan 0,001% m/m.
6 De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1 De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2 De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met paragraaf 7.1 van dit voorschrift dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1 De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2 Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
9 Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en, indien van toepassing het monster geleverd uit hoofde van MARPOL zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage; en
6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
10 Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
1. de Partij of een staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
11 Voor elk schip met een brutotonnage van 400 en meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de betrokken Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan de zesde paragraaf van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
- Regeling
- Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
- Afkortingen
- MARPOL, MARPOL 73/78
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-03-2026
- BWB-id
- BWBV0003241
- Versie
- 2026-03-01_0