wetzoeker

Voorschrift 16 Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN

1 Behalve zoals bepaald in de vierde paragraaf van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2 Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;

2. polychloorbifenylen (PCB’s);

3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;

4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;

5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en

6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.

3 Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4 Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens of estuaria.

5 Niets in dit voorschrift:

1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij,

of

2. vormt een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.

6.1 Behalve zoals voorzien in paragraaf 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop deze paragraaf van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord;

6.2 De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van paragraaf 6.1 van dit voorschrift toestaan op elke verbrander die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7 Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8 Het personeel verantwoordelijk voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dient te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens de zevende paragraaf van dit voorschrift.

9 Voor in overeenstemming met paragraaf 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Regeling
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
Afkortingen
MARPOL, MARPOL 73/78
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-03-2026
BWB-id
BWBV0003241
Versie
2026-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl