Voorschrift 23 Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
BOUW
1. Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in voorschrift 1.28.8.
2. Voor de toepassing van dit voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:
.1 „diepgang op de lastlijn (dS)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig het aan het schip toegekende zomervrijboord. Op dit voorschrift betrekking hebbende berekeningen dienen uit te gaan van diepgang dS, niettegenstaande toegekende diepgangen die dS kunnen overschrijden, zoals de tropenlastlijn.
.2 „waterlijn (dB)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig 30% van hoogte DS.
.3 „breedte (BS)”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de diepste lastlijn dS.
.4 „breedte (BB)”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de waterlijn dB.
.5 „holte (DS)”: de holte naar de mal, in meters, gemeten op de halve lengte van het bovendek in de zijde.
.6 „lengte (L)” en „draagvermogen (DW)” als omschreven in respectievelijk voorschrift 1.19 en 1.23.
3. Teneinde afdoende bescherming te bieden tegen olievervuiling in het geval van aanvaring of stranding, dient aan het volgende te worden voldaan:
.1 voor olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton (DWT) of meer, dient de gemiddelde olie-uitstroomparameter als volgt te zijn:
OM ≤ 0.015 | voor C ≤ 200.000 m3
OM ≤ 0,012 + (0,003/200.000) (400.000-C) | voor 200.000 m3 < C < 400.000 m3
OM ≤ 0,012 | voor C = 400.000 m3
voor combinatietankschepen tussen een draagvermogen tussen 5000 ton (DWT) en een capaciteit van 200.000 m3 kan de gemiddelde olie-uitstroomparameter worden toegepast, mits ten genoegen van de Administratie berekeningen worden overgelegd waarmee wordt aangetoond dat, rekening houdend met de grotere sterkte van de constructie, het combinatietankschip een olie-uitstroomparameter heeft die ten minste gelijk is aan die van een standaard dubbelwandig tankschip van dezelfde omvang met een OM < = 0,015.
OM ≤ 0.021 | voor C ≤ 100,000 m3
OM ≤ 0.015 + (0.006/100,000) (200,000-C) | voor 100,000 m3 < C ≤ 200,000 m3
waarbij:
OM = gemiddelde olie-uitstroomparameter.
C = totaal volume aan ladingolie, in m3, bij een voor 98% gevulde tank
.2 voor olietankschepen met een draagvermogen van minder dan 5000 ton (DWT):
De lengte van elke ladingtank mag niet groter zijn dan 10 m of een van de volgende waarden, naar gelang welk getal het grootst is:
.1 wanneer geen langsschot is aangebracht binnen de ladingtanks:
.2 wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht binnen de ladingtanks:
.3 wanneer er twee of meer langsschotten zijn aangebracht binnen de ladingtanks:
.1 voor zijtanks voor lading: 0,2 L
.2 voor middentanks voor lading:
.1 indien
.2 indien
- wanneer er geen langsschot op hart schip is aangebracht:
- wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht:
.4 bi is de minimum afstand van de scheepshuid tot het buitenste langsschot van de desbetreffende tank, binnenboord gemeten loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord.
4. De volgende algemene aannames zijn van toepassing bij de berekening van de gemiddelde olie-uitstroomparameter:
.1 De lengte van het ladinggedeelte wordt gevormd door de lengte tussen de voorste en achterste begrenzingsschotten van alle tanks die zijn ingericht voor het vervoer van ladingolie, met inbegrip van sloptanks.
.2 Wanneer in dit voorschrift naar ladingtanks wordt verwezen, worden hieronder tevens verstaan alle ladingtanks, sloptanks en brandstoftanks die zich binnen de lengte van het ladinggedeelte bevinden.
.3 Het schip wordt geacht te zijn geladen tot op de diepgang op de lastlijn dS zonder trim of slagzij.
.4 Alle ladingolietanks worden geacht geladen te zijn tot 98% van hun volume. De nominale dichtheid van de ladingolie (ρn) wordt als volgt berekend:
ρn = 1000 (DWT)/C (kg/m3)
.5 Ten behoeve van deze uitstroomberekeningen wordt de permeabiliteit van elke ruimte binnen het ladinggedeelte, met inbegrip van ladingtanks, ballasttanks en andere ruimtes die geen olieruimtes zijn, op 0,99 gesteld, tenzij anders is vastgesteld.
.6 Zuigputten kunnen buiten beschouwing gelaten worden bij het vaststellen van de tanklocatie mits dergelijke putten zo klein als praktisch mogelijk zijn en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating van het schip niet minder is dan 0,5 h, waarbij h de hoogte is als omschreven in voorschrift 19.3.2.
5. Het combineren van de olie-uitstroomparameters geschiedt op basis van de volgende aannames:
.1 De gemiddelde olie-uitstroom wordt afzonderlijk berekend voor zijschade en bodemschade en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd in de niet-dimensionale olie-uitstroomparameter OM:
OM = (0.4 OMS + 0.6 OMB ) / C
waarbij:
OMS = gemiddelde uitstroom bij zijschade, in m3; en
OMB = gemiddelde uitstroom bij bodemschade, in m3.
.2 Bij bodemschade wordt de gemiddelde uitstroomwaarde afzonderlijk berekend voor een getij van 0,0 m en minus 2,5 m en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd:
OMB = 0.7 OMB(0) + 0.3 OMB(2.5)
waarbij:
OMB(0) = gemiddelde uitstroom bij een getij van 0,0 m; en
OMB(2.5) = gemiddelde uitstroom bij een getij van -2,5 m3.
6. De gemiddelde uitstroom bij zijschade OMS wordt als volgt berekend:MS wordt als volgt berekend:
waarbij:
i | = | elke desbetreffende ladingtank;
n | = | het totale aantal ladingtanks;
PS(i) | = | de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 8.1 van dit voorschrift;
OS(i) | = | de uitstroom, in m3, bij zijschade aan ladingtank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in ladingtank i bij een tankvulling van 98%, tenzij door toepassing van de in voorschrift 19.5 genoemde Richtlijnen wordt aangetoond dat er een aanzienlijk ladingvolume achterblijft; en
C3 | = | 0,77 bij schepen met twee langsschotten aan de binnenzijde van de ladingtanks, mits deze langsschotten zich uitstrekken over de lengte van het ladinggedeelte en Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met dit voorschrift. C3 is gelijk aan 1,0 voor alle overige schepen of indien Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met lid 10 van dit voorschrift.
7. De gemiddelde uitstroom bij bodemschade wordt voor elk getij op de volgende wijze berekend:
.1
waarbij:
i | = | elke desbetreffende ladingtank;
n | = | het totale aantal ladingtanks;
PB(i) | = | de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van bodemschade, berekend in overeenstemming met lid 9.1 van dit voorschrift;
OB(i) | = | de uitstroom uit ladingtank i, in m3, berekend in overeenstemming met lid 7.3 van dit voorschrift; en
CDB(i) | = | factor om rekening te houden met olie-opvang als omschreven in lid 7.4 van dit voorschrift
.2
waarbij:
i,n, PB(i) en CDB(i) = als omschreven in bovenstaand onderdeel .1;
OB(i) = de uitstroom uit ladingtank i, in m3, na getijdeverandering
.3 De olie-uitstroom OB(i) voor elke ladingolietank wordt berekend op basis van drukbalansprincipes, in overeenstemming met de volgende aannames:
.1 Het schip wordt verondersteld te zijn gestrand met een trim en helling van nihil, waarbij de diepgang bij stranding voorafgaande aan de getijdeverandering gelijk is aan de diepgang op de lastlijn ds.
.2 Het ladingniveau na schade wordt als volgt berekend:
hc = {(ds + tc- Zl) (ρs) - (1000 p) / g }/ρn
waarbij:
hc | = | de hoogte van de ladingolie boven Zl, in meters;
tc | = | de getijdeverandering, in m. Afnames van het getijde worden uitgedrukt als negatieve waarden;
Zl | = | de hoogte van het laagste punt in de ladingtank boven de lijn van onderzijde spanten, in m;
ρ s | = | dichtheid van zeewater, gesteld op 1,025 kg/m3;
p | = | indien een inert-gasinstallatie is geïnstalleerd, moet uitgegaan worden van een normale overdruk, in kPa, van niet minder dan 5 kPa; indien er geen inert-gasinstallatie is, kan de overdruk op 0 worden gesteld;
g | = | de versnelling van de zwaartekracht, gesteld op 9,81 m/s2; en
ρ n | = | nominale dichtheid van ladingolie, berekend in overeenstemming met lid 4.4 van dit voorschrift.
.3 Bij ladingtanks die door de vlakbeplating worden begrensd wordt de olie-uitstroom OB(i), tenzij anderszins vastgesteld, 48gesteld op niet minder dan 1% van het totale volume aan ladingolie in ladingtank i, teneinde rekening te houden met initiële uitwisselingsverliezen en dynamische effecten als gevolg van stroming en golfslag.
.4 In het geval van bodemschade, kan een deel van de uitstroom uit een ladingtank worden opgevangen in afdelingen anders dan olie-afdelingen. Dit effect wordt benaderd door toepassing van de factor CDB(i) op elke tank, waarbij uitgegaan wordt van het volgende:
CDB(i) = 0,6 voor ladingtanks die aan de onderzijde begrensd worden door afdelingen anders dan olie-afdelingen;
CDB(i) = 1,0 voor ladingtanks die begrensd worden door de vlakbeplating.
8. De kans PS dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:S dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:
.1 PS = PSL PSVPST
waarbij:
PSL =1 - PSf - PSa | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf;
PSV = 1 - PSu - PS1 | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de verticale zone die wordt begrensd door Zl en Zu; en
PST = 1 - PSy | = | de kans dat de schade zich overdwars uitbreidt tot na de door y gedefinieerde grens.
.2 PSa, PSf, PSl, PSu en PSyworden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 8.3 van dit voorschrift, waarin:
PSa | = | de kans dat de schade volledig achter plaats Xa/L gelegen is;
PSf | = | de kans dat de schade volledig voor plaats Xf/L gelegen is;
PSl | = | de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is;
PSu | = | de kans dat de schade volledig boven de tank gelegen is; en
PSy | = | de kans dat de schade volledig buiten de tank gelegen is.
Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Zl, Zu en y worden als volgt uitgewerkt:
Xa | = | de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het achterste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Xf | = | de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het voorste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Zl | = | de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het laagste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Zu | = | de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het hoogste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Zu mag niet groter zijn dan Ds; en
y | = | de minimale horizontale afstand gemeten loodrecht op hart schip tussen de desbetreffende afdeling en de scheepshuid in meters;
.3 Kansentabel voor zijschade
Xa/L | PSa | | Xf/L | PSf | | Zl/DS | PSl | | Zu/SS | PSu
0.00 | 0.000 | | 0.00 | 0.967 | | 0.00 | 0.000 | | 0.00 | 0.968
0.05 | 0.023 | | 0.05 | 0.917 | | 0.05 | 0.000 | | 0.05 | 0.952
0.10 | 0.068 | | 0.10 | 0.867 | | 0.10 | 0.001 | | 0.10 | 0.931
0.15 | 0.117 | | 0.15 | 0.817 | | 0.15 | 0.003 | | 0.15 | 0.905
0.20 | 0.167 | | 0.20 | 0.767 | | 0.20 | 0.007 | | 0.20 | 0.873
0.25 | 0.217 | | 0.25 | 0.717 | | 0.25 | 0.013 | | 0.25 | 0.836
0.30 | 0.267 | | 0.30 | 0.667 | | 0.30 | 0.021 | | 0.30 | 0.789
0.35 | 0.317 | | 0.35 | 0.617 | | 0.35 | 0.034 | | 0.35 | 0.733
0.40 | 0.367 | | 0.40 | 0.567 | | 0.40 | 0.055 | | 0.40 | 0.670
0.45 | 0.417 | | 0.45 | 0.517 | | 0.45 | 0.085 | | 0.45 | 0.599
0.50 | 0.467 | | 0.50 | 0.467 | | 0.50 | 0.123 | | 0.50 | 0.525
0.55 | 0.517 | | 0.55 | 0.417 | | 0.55 | 0.172 | | 0.55 | 0.452
0.60 | 0.567 | | 0.60 | 0.367 | | 0.60 | 0.226 | | 0.60 | 0.383
0.65 | 0.617 | | 0.65 | 0.317 | | 0.65 | 0.285 | | 0.65 | 0.317
0.70 | 0.667 | | 0.70 | 0.267 | | 0.70 | 0.347 | | 0.70 | 0.255
0.75 | 0.717 | | 0.75 | 0.217 | | 0.75 | 0.413 | | 0.75 | 0.197
0.80 | 0.767 | | 0.80 | 0.167 | | 0.80 | 0.482 | | 0.80 | 0.143
0.85 | 0.817 | | 0.85 | 0.117 | | 0.85 | 0.553 | | 0.85 | 0.092
0.90 | 0.867 | | 0.90 | 0.068 | | 0.90 | 0.626 | | 0.90 | 0.046
0.95 | 0.917 | | 0.95 | 0.023 | | 0.95 | 0.700 | | 0.95 | 0.013
1.00 | 0.967 | | 1.00 | 0.000 | | 1.00 | 0.775 | | 1.00 | 0.000
PSy wordt als volgt berekend:
PSy = (24.96 -199.6 y/BS) (y/BS) voor y/BS ≤ 0.05
PSy = 0.749 + {5 -44.4 (y/BS - 0.05)} (y/BS - 0.05) voor 0.05 < y/BS < 0.1
PSy = 0.888 + 0.56 (y/BS - 0.1) voor y/BS ≤ 0.1
PSy mag niet groter zijn dan 1.
9. De kans PB dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van bodemschade wordt als volgt berekend:
.1 PB = PBL PBTPBV
waarbij:
PBL = 1 - PBf - PBa | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf;
PBT = 1 - PBp - PBs | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xp en Xs;
PBV = 1 - PBz | = | de kans dat de schade zich in verticale richting uitstrekt tot boven de door z gedefinieerde grens.
.2 PBa, PBf, PBp, PBs, en PBz worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 9.3 van dit voorschrift, waarbij
PBa | = | de kans dat de schade volledig achter de locatie Xa/L gelegen is;
PBf | = | de kans dat de schade volledig voor de loactie Xf/L gelegen is;
PBp | = | de kans dat de schade volledig aan bakboordzijde van de tank gelegen is;
PBs | = | de kans dat de schade volledig aan stuurboordzijde van de tank gelegen is; en
PBz | = | de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is.
Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Yp, Ys en z worden als volgt uitgewerkt:
Xa en Xf zijn als omschreven in lid 8.2 van dit voorschrift;
Yp | = | de afstand overdwars van het punt aan de uiterste bakboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip, in meters;
Ys | = | de afstand overdwars van het punt aan de uiterste stuurboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip, in meters; en
z | = | de minimumwaarde van z over de lengte van de afdeling, waarbij z, op willekeurig welke plaats over de lengte, de verticale afstand is vanaf het laagste punt van de vlakbeplating op die lengtepositie tot het laagste punt van de afdeling op die lengtepositie, in meters.
.3 Kansentabel voor bodemschade
Xa/L | PBa | | Xf/L | PBf | | Yp/BB | PBp | | Ys/B B | PBs
0.00 | 0.000 | | 0.00 | 0.969 | | 0.00 | 0.844 | | 0.00 | 0.000
0.05 | 0.002 | | 0.05 | 0.953 | | 0.05 | 0.794 | | 0.05 | 0.009
0.10 | 0.008 | | 0.10 | 0.936 | | 0.10 | 0.744 | | 0.10 | 0.032
0.15 | 0.017 | | 0.15 | 0.916 | | 0.15 | 0.694 | | 0.15 | 0.063
0.20 | 0.029 | | 0.20 | 0.894 | | 0.20 | 0.644 | | 0.20 | 0.097
0.25 | 0.042 | | 0.25 | 0.870 | | 0.25 | 0.594 | | 0.25 | 0.133
0.30 | 0.058 | | 0.30 | 0.842 | | 0.30 | 0.544 | | 0.30 | 0.171
0.35 | 0.076 | | 0.35 | 0.810 | | 0.35 | 0.494 | | 0.35 | 0.211
0.40 | 0.096 | | 0.40 | 0.775 | | 0.40 | 0.444 | | 0.40 | 0.253
0.45 | 0.119 | | 0.45 | 0.734 | | 0.45 | 0.394 | | 0.45 | 0.297
0.50 | 0.143 | | 0.50 | 0.687 | | 0.50 | 0.344 | | 0.50 | 0.344
0.55 | 0.171 | | 0.55 | 0.630 | | 0.55 | 0.297 | | 0.55 | 0.394
0.60 | 0.203 | | 0.60 | 0.563 | | 0.60 | 0.253 | | 0.60 | 0.444
0.65 | 0.242 | | 0.65 | 0.489 | | 0.65 | 0.211 | | 0.65 | 0.494
0.70 | 0.289 | | 0.70 | 0.413 | | 0.70 | 0.171 | | 0.70 | 0.544
0.75 | 0.344 | | 0.75 | 0.333 | | 0.75 | 0.133 | | 0.75 | 0.594
0.80 | 0.409 | | 0.80 | 0.252 | | 0.80 | 0.097 | | 0.80 | 0.644
0.85 | 0.482 | | 0.85 | 0.170 | | 0.85 | 0.063 | | 0.85 | 0.694
0.90 | 0.565 | | 0.90 | 0.089 | | 0.90 | 0.032 | | 0.90 | 0.744
0.95 | 0.658 | | 0.95 | 0.026 | | 0.95 | 0.009 | | 0.95 | 0.794
1.00 | 0.761 | | 1.00 | 0.000 | | 1.00 | 0.000 | | 1.00 | 0.844
PBz wordt als volgt berekend:
PBz = (14.5 - 67 z/DS) (z/DS) voor z/DS ≤ 0.1,
PBz = 0.78 + 1.1 (z/DS - 0.1) voor z/DS > 0.1.
PBz mag niet groter zijn dan 1.
10. Bij dit voorschrift wordt gebruik gemaakt van een vereenvoudigde kansmethode waarin een somberekening wordt uitgevoerd op alle bijdragen aan de gemiddelde uitstroom van elke ladingtank. Voor bepaalde ontwerpen, zoals die welke worden gekenmerkt door trapsgewijs verspringende schotten/nissen in dekken en hellende schotten en/of geprononceerde rondingen van de romp, kunnen wellicht grondiger berekeningen nodig zijn. In dergelijke gevallen kan een van de volgende berekeningsmethoden worden toegepast:
.1 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen nauwkeuriger worden berekend door toepassing van hypothetische sub-afdelingen.
.2 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen berekend worden door rechtstreekse toepassing van de kansdichtheidsfuncties vervat in de in voorschrift 19.5 bedoelde Richtlijnen.
.3 De olie-uitstroom kan worden beoordeeld overeenkomstig de methode omschreven in de in voorschrift 19.5 bedoelde Richtlijnen.
11. De volgende bepalingen ten aanzien van pijpleidingvoorzieningen zijn van toepassing:
.1 Pijpleidingen die door ladingtanks lopen, en die zich op een kleinere afstand dan 0,30Bs van de scheepshuid of op een geringere hoogte dan 0.30Ds van het scheepsvlak bevinden, dienen op de plaats waar de leiding in de tank uitmondt te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tanks olie bevatten, met dien verstande dat zij uitsluitend mogen worden geopend voor het overpompen van lading, wanneer dat nodig is voor essentiële ladinghandelingen.
.2 Vermindering van de olie-uitstroom door gebruik van een noodsysteem voor het snel overpompen van lading of een ander systeem om de olie-uitstroom bij ongevallen te verminderen mag alleen in de berekening worden meegenomen indien de doeltreffendheid en de veiligheidsaspecten van het systeem door de Organisatie zijn goedgekeurd. Voorlegging ter goedkeuring dient te geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de in voorschrift 19.5 bedoelde Richtlijnen.
- Regeling
- Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
- Afkortingen
- MARPOL, MARPOL 73/78
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-03-2026
- BWB-id
- BWBV0003241
- Versie
- 2026-03-01_0