wetzoeker

Aanhangsel 6 — - Voorwasprocedures (deel 1) Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

- Voorwasprocedures

A Voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994

Is een voorwasprocedure voorgeschreven om te kunnen voldoen aan bepaalde vereisten van Bijlage II. In dit aanhangsel wordt uitgelegd hoe dit voorwassen moet geschieden.

Voorwasprocedures voor niet-stollende stoffen

1. Tanks moeten worden gewassen met behulp van een ronddraaiende waterstraal, onder voldoende waterdruk. In het geval van stoffen van categorie X moeten de reinigingsmachines op zodanige plaatsen worden gebruikt dat alle tankoppervlakken worden gewassen. In het geval van stoffen van categorie Y behoeft de machine slechts op één plaats te worden opgesteld.

2. Tijdens het wassen moet de hoeveelheid water in de tank tot een minimum worden beperkt door voortdurend residuen uit de tanks te pompen en de toestroom naar de zuigmond te bevorderen (voldoende slagzij en trim). Indien aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan, moet het wassen driemaal worden herhaald, waarbij de tank tussen de wascycli door grondig moet worden leeggezogen.

3. Tanks waarin stoffen zijn vervoerd met een viscositeit gelijk aan of hoger dan 50 mPa.s bij 20°C moeten met warm water worden gewassen (ten minste 60°C), tenzij de eigenschappen van deze stoffen het wassen minder doeltreffend maken.C moeten met warm water worden gewassen (ten minste 60°C), tenzij de eigenschappen van deze stoffen het wassen minder doeltreffend maken.

4. Het aantal cycli van de reinigingsmachine mag niet geringer zijn dan aangegeven in tabel 6-1. Als reinigingsmachinecyclus wordt aangemerkt de tijd tussen twee achtereenvolgende identieke draaiingen van de tankreinigingsmachine (360°).

5. Na het wassen moet de reinigingsmachine lang genoeg in bedrijf worden gehouden om de leiding, de pomp en het filter door te spoelen, en het lozen naar ontvangstvoorzieningen aan wal moet worden voortgezet totdat de tank leeg is.

Voorwasprocedures voor stollende stoffen

1. De tanks moeten zo snel mogelijk na het lossen worden gewassen. Zo mogelijk moeten de tanks voor het wassen worden verwarmd.

2. Residuen in tankhoofden en mangaten moeten bij voorkeur worden verwijderd vóór het voorwassen.

3. De tanks moeten worden gewassen met behulp van een ronddraaiende waterstraal onder voldoende waterdruk en op zodanige plaatsen dat alle tankoppervlakken worden gewassen.

4. Tijdens het wassen moet de hoeveelheid water in de tank tot een minimum worden beperkt door voortdurend residuen uit de tanks te pompen en de toestroom naar de zuigmond te bevorderen (voldoende slagzij en trim). Indien aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan, moet het wassen driemaal worden herhaald, waarbij de tank tussen de wascycli door grondig moet worden leeggezogen.

5. Tanks moeten met warm water worden gewassen (ten minste 60°C), tenzij de eigenschappen van deze stoffen het wassen minder doeltreffend maken.

6. Het aantal cycli van de reinigingsmachine mag niet geringer zijn dan aangegeven in tabel 6-1. Als reinigingsmachinecyclus wordt aangemerkt de tijd tussen twee achtereenvolgende identieke draaiingen van de machine (360°).

7. Na het wassen moet de reinigingsmachine lang genoeg in bedrijf worden gehouden om de leiding, de pomp en het filter door te spoelen, en het lozen naar ontvangstinrichtingen aan wal moet worden voortgezet totdat de tank leeg is.

Tabel 6-1 – Aantal cycli per plaats waar reinigingsmachine is opgesteld

Categorie van de stof | Aantal cycli van de reinigingsmachine

Niet-stollende stoffen | Stollende stoffen

Categorie X | 1 | 2

Categorie Y | 1/2 | 1

B Voor schepen gebouwd op of na 1 juli 1994 en aanbevolen voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994

Een voorwasprocedure is voorgeschreven om te kunnen voldoen aan bepaalde vereisten van Bijlage II. In dit aanhangsel wordt uitgelegd hoe de voorwasprocedure moet worden uitgevoerd en op welke wijze de minimum hoeveelheid te gebruiken wasmiddel moet worden bepaald. Geringere hoeveelheden wasmiddel mogen worden gebruikt aan de hand van ten genoegen van de Administratie gebleken geschiktheid na beproeving. Wanneer geringere hoeveelheden zijn toegestaan, moet hiervan in het Handboek aantekening worden gemaakt.

Indien voor de voorwas een ander middel dan water wordt gebruikt, gelden de bepalingen van voorschrift 13.5.1.

Voorwasprocedures voor niet-stollende stoffen zonder recycling

1. Tanks moeten worden gewassen met behulp van een of meer ronddraaiende waterstralen, onder voldoende waterdruk. In het geval van stoffen van categorie X moeten de reinigingsmachines op zodanige plaatsen worden gebruikt dat alle tankoppervlakken worden gewassen. In het geval van stoffen van categorie Y behoeft de machine slechts op één plaats te worden opgesteld.

2. Tijdens het wassen moet de hoeveelheid vloeistof in de tank tot een minimum worden beperkt door voortdurend residuen uit de tanks te pompen en de toestroom naar de zuigmond te bevorderen (voldoende slagzij en trim). Indien aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan, moet het wassen driemaal worden herhaald, waarbij de tank tussen de wascycli door grondig moet worden leeggezogen.

3. Tanks waarin stoffen zijn vervoerd met een viscositeit gelijk aan of hoger dan 50 mPa.s bij 20°C moeten met warm water worden gewassen (ten minste 60°C), tenzij de eigenschappen van deze stoffen het wassen minder doeltreffend maken.

4. De hoeveelheden waswater mogen niet minder bedragen dan de in punt 20 genoemde hoeveelheden of dan de in overeenstemming met punt 21 vastgestelde hoeveelheden.

5. Na het voorwassen moeten de tanks en leidingen grondig worden leeggezogen.

Voorwasprocedures voor stollende stoffen zonder recycling

6. De tanks moeten zo snel mogelijk na het lossen worden gewassen. Zo mogelijk moeten de tanks voor het wassen worden verwarmd.

7. Residuen in tankhoofden en mangaten moeten bij voorkeur worden verwijderd vóór het voorwassen.

8. De tanks moeten worden gewassen met behulp van een of meerdere ronddraaiende waterstralen onder voldoende waterdruk en op zodanige plaatsen dat alle tankoppervlakken worden gewassen.

9. Tijdens het wassen moet de hoeveelheid vloeistof in de tank tot een minimum worden beperkt door voortdurend residuen uit de tanks te pompen en de toestroom naar de zuigmond te bevorderen (voldoende slagzij en trim). Indien aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan, moet het wassen driemaal worden herhaald, waarbij de tank tussen de wascycli door grondig moet worden leeggezogen.

10. Tanks moeten met warm water worden gewassen (ten minste 60°C), tenzij de eigenschappen van deze stoffen het wassen minder doeltreffend maken.

11. De hoeveelheden waswater mogen niet minder bedragen dan de in punt 20 genoemde hoeveelheden of dan de in overeenstemming met punt 21 vastgestelde hoeveelheden.

12. Na het voorwassen moeten de tanks en leidingen grondig worden leeggezogen.

Voorwasprocedures met recycling van het wasmiddel

13. Voor het wassen van meer dan één ladingtank mag een wasmiddel opnieuw worden gebruikt. Bij het vaststellen van de hoeveelheid moet zorgvuldig worden gekeken naar de verwachte hoeveelheid residuen in de tanks en de eigenschappen van het wasmiddel en naar de vraag of een eerste reiniging of spoeling wordt toegepast. Indien niet voldoende gegevens worden verstrekt, mag de berekende eindconcentratie van ladingresiduen in het wasmiddel niet meer bedragen dan 5%, op basis van nominale nazuighoeveelheden.

14. Hergebruik van een wasmiddel is uitsluitend toegestaan voor het wassen van tanks die dezelfde stof of een soortgelijke stof hebben bevat.

15. Aan de te wassen tank(s) moet een hoeveelheid wasmiddel worden toegevoegd die voldoende is om continu wassen mogelijk te maken.

16. Alle tankoppervlakken moeten worden gewassen met behulp van een of meer ronddraaiende waterstralen, onder voldoende waterdruk. Het hergebruik van het wasmiddel mag in de te wassen tank plaatsvinden of via een andere tank, bijv. een sloptank.

17. Het wassen moet worden voortgezet totdat de totale doorvoer niet minder bedraagt dan de overeenkomstige hoeveelheden als vermeld in punt 20 of vastgesteld overeenkomstig punt 21.

Regeling
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
Afkortingen
MARPOL, MARPOL 73/78
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-03-2026
BWB-id
BWBV0003241
Versie
2026-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl