wetzoeker

Artikel 4 Verdrag inzake de herziening van het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien), 1952

1 Op vertoon van een medisch attest of andere relevante verklaring, zoals vastgesteld overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, waarin de vermoedelijke datum van de bevalling is vermeld, heeft een vrouw op wie dit Verdrag van toepassing is recht op een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof van ten minste 14 weken.

2 Elk Lid vermeldt de duur van de hierboven genoemde verlofperiode in een verklaring die aan zijn akte van bekrachtiging van dit Verdrag wordt toegevoegd.

3 Elk Lid kan nadien een nieuwe verklaring deponeren bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, waarin de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt verlengd.

4 Zorgvuldig rekening houdend met de bescherming van de gezondheid van de moeder en die van het kind, omvat het zwangerschaps- en bevallingsverlof een periode van verplicht verlof van zes weken na de bevalling, tenzij op nationaal niveau door de regering en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers anders overeen wordt gekomen.

5 Het prenatale deel van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt verlengd met de periode die verstrijkt tussen de verwachte datum van de bevalling en de feitelijke datum van de bevalling, zonder vermindering van elk verplicht deel van het postnatale verlof.

Regeling
Verdrag inzake de herziening van het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien), 1952
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
15-01-2010
BWB-id
BWBV0003153
Versie
2010-01-15_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl