wetzoeker

Bijlage — bij het Verdrag (deel 1) Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, 1979

bij het Verdrag

HOOFDSTUK 1

TERMEN EN OMSCHRIJVINGEN

1.1. ,Moet(en)’ wordt in deze Bijlage gebruikt om een bepaling aan te duiden die door alle Partijen in het belang van de beveiliging van mensenlevens op zee uniform moet worden toegepast.

1.2. ,Beho(o)r(t)(en)’ wordt in deze Bijlage gebruikt om een bepaling aan te duiden waarvan het aanbeveling verdient dat deze door alle Partijen in het belang van de beveiliging van mensenlevens op zee uniform wordt toegepast.

1.3. De onderstaande uitdrukkingen worden in deze Bijlage gebruikt in de volgende betekenis:

.1 ,Opsporing’. Een actie die normaliter wordt gecoördineerd door een reddingscoördinatiecentrum of een reddingssubcentrum, met gebruikmaking van beschikbaar personeel en beschikbare voorzieningen voor de lokalisatie van personen in nood;

.2 ,Redding’. Een actie om personen in nood uit zee te halen, te voorzien in hun eerste medische of andere behoeften, en hen naar een veilige plaats te brengen;

.3 ,Opsporings- en reddingsdienst’. De uitvoering van noodbewakings-, communicatie-, coördinatie- en opsporings- en reddingstaken, met inbegrip van het geven van medisch advies, eerste medische hulp, of medische evacuatie, met gebruikmaking van overheids- en particuliere middelen met inbegrip van luchtvaartuigen, schepen en andere vaartuigen en installaties die hun medewerking verlenen;

.4 ,Opsporings- en reddingsgebied’. Een vastgesteld gebied behorend bij een reddingscoördinatiecentrum waarbinnen de aanwezigheid van opsporings- en reddingsdiensten is verzekerd;

.5 ,Reddingscoördinatiecentrum’. Een centrum dat tot taak heeft een doeltreffende organisatie van de opsporings- en reddingsdiensten te bevorderen, alsmede de uitvoering van opsporings- en reddingsacties binnen een opsporings- en reddingsgebied te coördineren;

.6 ,Reddingssubcentrum’. Een centrum dat ondergeschikt is aan een reddingscoördinatiecentrum en is ingesteld om de taak van het reddingscoördinatiecentrum te helpen uitvoeren overeenkomstig specifieke bepalingen van de verantwoordelijke autoriteiten;

.7 ,Opsporings- en reddingsvoorziening’. Mobiele middelen, met inbegrip van aangewezen opsporings- en reddingseenheden, die worden ingezet voor het uitvoeren van opsporings- en reddingsacties;

.8 ,Opsporings- en reddingseenheid’. Een eenheid met geoefend personeel en voorzien van een geschikte uitrusting voor een snelle uitvoering van opsporings- en reddingsacties;

.9 ,Alarmeringspost’. Een voorziening bedoeld om dienst te doen als schakel tussen een persoon die melding maakt van een noodsituatie en een reddingscoördinatiecentrum of reddingssubcentrum;

.10 ,Noodtoestandsfase’. Hieronder worden, naar gelang de omstandigheden, de onzekerheidsfase, de alarmeringsfase of de noodfase verstaan;

.11 ,Onzekerheidsfase’. Een situatie waarin onzekerheid bestaat over de veiligheid van een persoon, schip of ander vaartuig;

.12 ,Alarmeringsfase’. Een situatie waarin gevreesd wordt voor de veiligheid van een persoon, schip of ander vaartuig;

.13 ,Noodfase’. Een situatie waarin een redelijke mate van zekerheid bestaat dat een persoon, schip of ander vaartuig aan ernstig en dreigend gevaar blootstaat en onmiddellijk hulp nodig heeft;

.14 ,Coördinator ter plaatse’. Een persoon die is aangewezen voor de coördinatie van opsporings- en reddingsacties binnen een bepaald gebied;

.15 ,Secretaris-Generaal’. De Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie.

HOOFDSTUK 2

ORGANISATIE EN COÖRDINATIE

2.1. Regelingen voor de aanwezigheid en coördinatie van opsporings- en reddingsdiensten

2.1.1. De Partijen moeten, indien zij daartoe in staat zijn individueel of in samenwerking met andere staten en, indien van toepassing, met de Organisatie, deelnemen aan de ontwikkeling van opsporings- en reddingsdiensten om ervoor te zorgen dat hulp wordt verleend aan elke persoon die op zee in nood verkeert. Wanneer zij informatie ontvangen dat een persoon op zee in nood is of lijkt te zijn, moeten de verantwoor-delijke autoriteiten van een Partij onverwijld maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de nodige hulp wordt verleend. Onder een persoon die op zee in nood verkeert worden mede verstaan personen die hulp nodig hebben die hun toevlucht hebben gezocht tot een kust op een afgelegen locatie in een oceaangebied, welke plaats ontoegankelijk is voor een reddingsvoorziening anders dan in deze bijlage is voorzien.

2.1.2. De Partijen moeten, hetzij individueel hetzij, indien van toepassing, in samenwerking met andere staten, voorzien in de volgende basiselementen van een opsporings- en reddingsdienst:

.1 wettelijk kader;

.2 benoeming van een verantwoordelijke autoriteit;

.3 organisatie van beschikbare middelen;

.4 communicatievoorzieningen;

.5 coördinatie en operationele taken; en

.6 processen om de hulpverlening te verbeteren, met inbegrip van planning, nationale en internationale samenwerkingsverbanden en opleiding.

De Partijen moeten, voor zover uitvoerbaar, relevante minimumnormen en richtlijnen volgen die door de Organisatie zijn ontwikkeld.

2.1.3. Om bij te dragen aan de waarborging van een geschikte communicatie-infrastructuur op de wal, een doelmatige routering van noodberichten en een deugdelijke operationele coördinatie om opsporings- en reddingsdiensten op doeltreffende wijze te ondersteunen, moeten de Partijen, individueel of in samenwerking met andere staten, ervoor zorgen dat er voldoende opsporings- en reddingsgebieden worden vastgesteld binnen elk zeegebied overeenkomstig het bepaalde in 2.1.4. en 2.1.5. Deze gebieden behoren aan elkaar te grenzen en elkaar voor zover mogelijk niet te overlappen.

2.1.4. Elk opsporings- en reddingsgebied moet door middel van een overeenkomst tussen de betrokken Partijen worden vastgesteld. De Secretaris-Generaal moet van de desbetreffende overeenkomst in kennis worden gesteld.

2.1.5. Ingeval door de betrokken Partijen geen overeenstemming wordt bereikt inzake de nauwkeurige afmetingen van een opsporingsen reddingsgebied, moeten de desbetreffende Partijen alles in het werk stellen ten einde overeenstemming te bereiken inzake een passende regeling krachtens welke in een gelijkwaardige, algehele coördinatie van opsporings- en reddingsdiensten in het gebied wordt voorzien. De Secretaris-Generaal moet van de desbetreffende regeling in kennis worden gesteld.

2.1.6. Overeenstemming over de in 2.1.4. en 2.1.5 genoemde gebieden of regelingen moet door de betrokken Partijen worden vastgelegd, of door de Partijen in schriftelijke plannen worden aanvaard.

2.1.7. De afbakening van opsporings- en reddingsgebieden houdt geen verband met de loop van de grenzen tussen de Staten en laat deze loop onverlet.

2.1.8. De Partijen behoren te trachten, waar van toepassing, de consistentie tussen hun maritieme en aëronautische opsporings- en reddingsdiensten te bevorderen bij de overweging maritieme opsporings- en reddingsgebieden vast te stellen die overeenkomstig het bepaalde in 2.1.4 door middel van een overeenkomst moeten worden vastgesteld of door het bereiken van overeenstemming inzake een passende regeling overeenkomstig het bepaalde in 2.1.5.

2.1.9. De Partijen die de verantwoordelijkheid hebben aanvaard opsporings- en reddingsdiensten te verzorgen voor een bepaald gebied moeten opsporings- en reddingseenheden en andere beschikbare voorzieningen gebruiken voor het verlenen van hulp aan een persoon die op zee in nood verkeert of lijkt te verkeren.

2.1.10. De Partijen moeten ervoor instaan dat aan elke mens die op zee in nood verkeert, hulp wordt verleend. Zij moeten zulks doen, ongeacht de nationaliteit of status van de desbetreffende persoon of de omstandigheden waarin hij wordt aangetroffen.

2.1.11. De Partijen moeten de Secretaris-Generaal inlichtingen verstrekken inzake hun opsporings- en reddingsdienst, met inbegrip van:

.1 de nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor de maritieme opsporings- en reddingsdiensten;

Regeling
Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, 1979
Afkortingen
SAR 1979
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-07-2006
BWB-id
BWBV0003096
Versie
2006-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl