wetzoeker

Artikel VI Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad

Rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten van de Raad

§ 16. De Raad bepaalt op welke categorieën van functionarissen de bepalingen van dit artikel van toepassing zijn.

De Secretaris-Generaal doet aan de Leden van de Raad mededeling van de namen van de functionarissen, die in deze categorieën zijn begrepen.

§ 17. De functionarissen van de Raad:

a) zijn vrijgesteld van rechtsvervolging met betrekking tot de door hen in de uitoefening van hun functie en binnen de grenzen van hun bevoegdheid gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen;

b) zijn vrijgesteld van belasting op de salarissen en emolumenten, welke door de Raad aan hen worden uitbetaald;

c) zijn, tezamen met hun echtgenoten en van hen afhankelijke verwanten, vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;

d) genieten dezelfde voorrechten met betrekking tot faciliteiten nopens het wisselen van geld als leden van diplomatieke zendingen met een vergelijkbare rang;

e) genieten, tezamen met hun echtgenoten en van hen afhankelijke verwanten, in tijden van internationale crisis dezelfde repatriëringsfaciliteiten als leden van diplomatieke zendingen met een vergelijkbare rang;

f) hebben het recht hun huisraad en hun andere goederen bij eerste aanvaarding van hun functie in het betreffende land vrij van rechten in te voeren en deze goederen vrij van rechten terug te zenden naar het land van hun domicilie na beëindiging van hun functie.

§ 18. Behalve de voorrechten en immuniteiten, genoemd in paragraaf 17, worden aan de Secretaris-Generaal met betrekking tot hemzelf, zijn echtgenote en minderjarige kinderen de voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten toegekend, welke overeenkomstig het internationale recht aan hoofden van diplomatieke zendingen worden verleend.

Aan de adjunct-Secretaris-Generaal worden de voorrechten, immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten toegekend, welke aan diplomatieke vertegenwoordigers met een vergelijkbare rang worden verleend.

§ 19. De voorrechten en immuniteiten worden aan de functionarissen verleend in het belang van de Raad en niet voor hun persoonlijk voordeel. De Secretaris-Generaal heeft het recht en de plicht de immuniteit van een functionaris op te heffen, telkens wanneer hij van oordeel is, dat de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg staat en de immuniteit kan worden opgeheven zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de Raad. Alleen de Raad heeft het recht de immuniteit van de Secretaris-Generaal op te heffen.

Regeling
Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
23-01-1953
BWB-id
BWBV0003093
Versie
1953-01-23_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl