wetzoeker

Verklaring Verdrag tot instelling van de Benelux Unie

Bij de ondertekening van het Verdrag tot herziening van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 (hierna: het Verdrag), hebben de gevolmachtigde vertegenwoordigers van de Hoge Verdragsluitende Partijen het volgende verklaard:

Met betrekking tot het gemeenschappelijk werkprogramma

Het gemeenschappelijk werkprogramma, genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag, wordt voor een periode van vier jaar vastgesteld. Het Comité van Ministers beziet, volgens de procedure van artikel 6, tweede lid, onder (b), van het Verdrag, elke twee jaar of het gemeenschappelijk werkprogramma aanpassing behoeft. Het jaarplan genoemd onder artikel 6, tweede lid, onder (d), van het Verdrag geeft nadere uitwerking aan het gemeenschappelijk werkprogramma.

Elementen van een gemeenschappelijk werkprogramma van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn bij deze Verklaring bijgevoegd.

Dit initiële gemeenschappelijk werkprogramma dient er toe de continuïteit te verzekeren tussen het bestaande Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en het herziene Verdrag tot instelling van de Benelux Unie. Het dient er tevens toe een geleidelijke overgang mogelijk te maken naar een verdieping en verbreding van het Benelux takenpakket teneinde een dynamische invulling te kunnen geven aan de onderlinge samenwerking in een gewijzigde internationale context.

De realisatie van dit gemeenschappelijk werkprogramma noodzaakt een politieke en hoogambtelijke sturing. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen er op toezien dat deze daadwerkelijk plaats vindt en indien nodig op ministerieel niveau.

Het Secretariaat-generaal geeft uitwerking aan de elementen van het gemeenschappelijk werkprogramma. Het evalueert op regelmatige basis alle samenwerkingstrajecten en initieert daarop passende actie. Het ondersteunt de samenwerking in diplomatieke, logistieke en administratieve zin en rapporteert over de behaalde resultaten.

Met betrekking tot het voorzitterschap van het Benelux Comité van Ministers

Bij de inwerkingtreding van het Verdrag wordt artikel 9, tweede lid, van het Verdrag, als volgt uitgevoerd:

a. Indien het Verdrag vóór 1 oktober van een bepaald jaar in werking treedt, wordt het voorzitterschap van het Comité van Ministers voor het resterende kalenderjaar vanaf de datum van inwerkingtreding bekleed door de Hoge Verdragsluitende Partij die op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 op de datum van inwerkingtreding het voorzitterschap bekleedt.

b. Indien het Verdrag op of na 1 oktober van een bepaald jaar in werking treedt, wordt het voorzitterschap van het Comité van Ministers voor het resterende kalenderjaar vanaf de datum van inwerkingtreding bekleed door de Hoge Verdragsluitende Partij die op grond van artikel 20, tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958 het voorzitterschap zou bekleden per 1 januari van het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding.

Met betrekking tot de vertegenwoordiging in de Benelux Raad

De in artikel 13, eerste lid, van het Verdrag bedoelde vertegenwoordiger of vertegenwoordigers van ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen vervult of vervullen binnen de overheidsdiensten in de Hoge Verdragsluitende Partijen de functie van Secretaris-generaal, Directeur-generaal, dan wel een leidinggevende functie van een vergelijkbaar niveau.

Met betrekking tot de contacten tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Benelux Unie

Elke Hoge Verdragsluitende Partij wijst een contactpunt aan dat zal optreden als coördinator in de betrekkingen tussen de betreffende Hoge Verdragsluitende Partij en de Benelux Unie.

Met betrekking tot artikel 29, derde lid

De onderhandelingen over de tussen het Koninkrijk België en de Benelux Unie te sluiten aanvullende overeenkomst zullen zo spoedig mogelijk na de ondertekening van start gaan met het oogmerk deze op korte termijn af te ronden. Deze overeenkomst heeft onder meer tot doel te komen tot een evenwichtiger samenstelling van het Benelux Secretariaat-generaal.

Met betrekking tot de begroting

1. De Overeenkomst van 14 januari 1964 tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg ter uitvoering van artikel 37, lid 2, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie wordt geacht te zijn gesloten ter uitvoering van artikel 22, tweede lid, van het Verdrag.

2. Het Comité van Ministers stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag per beschikking bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder (a) van het Verdrag vast, welke vertegenwoordiger van elke Hoge Verdragsluitende Partij in de Raad optreedt als persoon bedoeld in artikel 26, tweede lid van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.

Regeling
Verdrag tot instelling van de Benelux Unie
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2012
BWB-id
BWBV0003087
Versie
2012-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl