AMBASSADE VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN (deel 1) Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de erkenning van equivalenties op het gebied van het hoger onderwijs
No. 2298
Bonn, 23 maart 1983
Nr. I
Zeer geachte Heer Staatssecretaris,
Naar aanleiding van de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de erkenning van equivalenties op het gebied van het hoger onderwijs (hierna genoemd de Overeenkomst), die heden heeft plaatsgevonden, heb ik de eer vast te stellen dat bij de onderhandelingen ook over het volgende overeenstemming is bereikt:
1. De Overeenkomst maakt, binnen de vakgebieden die zij omvat, de daarin vermelde erkenning en waardering ten behoeve van een voortgezette of verdere studie (met inbegrip van de eventuele toelating tot promotie) mogelijk.
2. De Overeenkomst heeft ten doel de met betrekking tot de vooropleiding gestelde voorwaarden voor toelating tot een studie vast te leggen in de examenregelingen van de beide Overeenkomstsluitende Staten. De Overeenkomst verleent derhalve uitsluitend ten behoeve van een voortgezette of verdere studie ontheffing van de verplichting, aan te tonen dat aan de vermelde voorwaarden inzake de vooropleiding is voldaan. Zij leidt niet tot de verlening van het diploma, de graad of het getuigschrift ten aanzien waarvan deze ontheffing wordt verleend.
3. De Overeenkomst heeft geen betrekking op de effectus civilis. Na het sluiten van de Overeenkomst zullen de Overeenkomstsluitende Staten nagaan, in hoeverre vraagstukken betreffende de effectus civilis bij overeenkomst kunnen worden geregeld.
4. Met betrekking tot de gevallen dat studies met een staatsexamen worden afgesloten, worden ingevolge artikel 5 van de Overeenkomst de studietijden slechts in aanmerking genomen en de examens slechts erkend op basis van de op dat moment geldende binnenlandse examenvoorschriften.
5. De Overeenkomst laat de in de beide Overeenkomstsluitende Staten geldende algemene voorwaarden en beperkingen inzake de toelating tot studies en studieonderdelen onverlet.
6. Met betrekking tot de Bondsrepubliek Duitsland dienen de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst op grond van de verdeling van de bevoegdheden tussen de Duitse Bondsstaat, de „landen" en de instellingen van hoger onderwijs als volgt te worden geïnterpreteerd:
a. voor zover met betrekking tot beslissingen ingevolge de Overeenkomst de bevoegdheid bij de autoriteiten van de „landen” berust, is de Overeenkomst rechtstreeks van kracht;
b. voor zover de instellingen van hoger onderwijs bevoegd zijn te beslissen, hebben de bepalingen van de Overeenkomst slechts een aanbevelend karakter voor deze instellingen. Zij is rechtstreeks van kracht, zodra in het huidige examenreglement de bepaling in paragraaf 6, tweede lid, derde volzin, van de „Allgemeine Bestimmungen für Diplomprüfungsordnungen” (Algemene Bepalingen voor het Examenreglement voor instellingen van hoger onderwijs), luidende: „voor de gelijkwaardigheid van studietijden en studieresultaten aan buitenlandse instellingen van hoger onderwijs zijn de door de Permanente Conferentie van de ministers van onderwijs en van de Westduitse Rectorenconferentie goedgekeurde overeenkomsten inzake gelijkwaardigheid bindend”, is opgenomen.
7. Met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden dienen de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst als volgt te worden geïnterpreteerd:
a. voor zover met betrekking tot beslissingen ingevolge de Overeenkomst de bevoegdheid bij organen van de centrale overheid berust, is de Overeenkomst rechtstreeks van kracht;
b. voor zover de instellingen van hoger onderwijs bevoegd zijn te beslissen, hebben de bepalingen van de Overeenkomst slechts een aanbevelend karakter voor de instellingen van hoger onderwijs.
8. Ten aanzien van artikel 4 van de Overeenkomst verklaart het Koninkrijk der Nederlanden dat het het tweede lid zodanig interpreteert, dat de bezitter van een buitenlandse universitaire graad niet zal worden verplicht in het Koninkrijk der Nederlanden de naam van de instelling die de graad heeft verleend, bij deze graad te vermelden.
De Bondsrepubliek Duitsland verklaart dat het eerste lid in Sleeswijk-Holstein geen rechtskracht kan hebben. In dit „land” is wettelijk vastgelegd dat een buitenlandse graad slechts in de oorspronkelijke vorm, met vermelding van de instelling van hoger onderwijs die de graad heeft verleend, mag worden gebruikt.
9. Tot de instellingen van hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 1 van de Overeenkomst, worden in Nederland gerekend:
a. De in artikel 15 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Staatsblad 1975, 729) genoemde universiteiten en hogescholen, nl.:
- de rijksuniversiteiten te Leiden, Groningen, Utrecht en Rotterdam;
- de technische rijkshogescholen te Delft, Eindhoven en Enschede;
- de Rijkslandbouwhogeschool in Wageningen;
- de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam;
- de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen;
- de bijzondere hogeschool voor maatschappij- en geesteswetenschappen te Tilburg.
b. De bij de Wet Rijksuniversiteit Limburg (Staatsblad 1975, 717) opgerichte Rijksuniversiteit Limburg.
c. De tussen de onder a en b genoemde universiteiten en hogescholen opgerichte interuniversitaire instituten.
d. De krachtens artikel 118 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs daartoe aangewezen bijzondere universiteiten en hogescholen voor zover het de in het desbetreffende besluit vermelde doctoraten en getuigschriften van met goed gevolg afgelegde examens betreft. Op het tijdstip van het sluiten van de Overeenkomst zijn dit de volgende hogescholen:
- de katholieke theologische hogescholen te Tilburg, Amsterdam en Heerlen, met betrekking tot het doctoraat en het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de theologie (Koninklijk Besluit van 9 september 1974, Staatsblad 539);
- de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen, Oudestraat 6, tezamen met de van de Johannes Calvijn-Stichting te Kampen uitgaande Johannes Calvijn-Academie, met betrekking tot het doctoraat en het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de theologie (Koninklijk Besluit van 8 maart 1975, Staatsblad 109);
- de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) te Kampen, Broederweg 15, met betrekking tot het doctoraat en het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de theologie (Koninklijk Besluit van 8 maart 1975, Staatsblad 109);
- de Theologische Hogeschool van de Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland te Apeldoorn, met betrekking tot het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen (Koninklijk Besluit van 8 maart 1975, Staatsblad 109) alsmede het doctoraat en het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de theologie (Koninklijk Besluit van 2 februari 1979, Staatsblad 43);
- de Katholieke Theologische Hogeschool te Utrecht, met betrekking tot het doctoraat en het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de theologie (Koninklijk Besluit van 23 januari 1976, Staatsblad 33).
10. Wegens de huidige verschillen tussen de beide Overeenkomstsluitende Staten met betrekking tot de juridische definiëring van het gebied van het hoger onderwijs, wordt er de nadruk op gelegd, dat alle andere instellingen die wettelijk worden beschouwd het karakter te hebben van een instelling van hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 1 van de Overeenkomst, onder de Overeenkomst vallen.
Ik heb de eer U voor te stellen dat deze brief en Uw bevestigend antwoord daarop een overeenkomst vormen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, die een wezenlijk bestanddeel van de Overeenkomst vormt en die op dezelfde dag in werking treedt en onder dezelfde voorwaarden van kracht zal zijn als de Overeenkomst.
Gelief, zeer geachte Heer Staatssecretaris, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.
(w.g.) K. W. REININK
Dr. K. W. Reinink
Ambassadeur van het
Koninkrijk der Nederlanden
Aan de heer Staatssecretaris
- Regeling
- Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de erkenning van equivalenties op het gebied van het hoger onderwijs
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 23-03-1983
- BWB-id
- BWBV0002988
- Versie
- 1983-03-23_0