wetzoeker

Artikel 20 Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie

1 De Secretaris-Generaal der Verenigde Naties ontvangt de ten tijde van de bekrachtiging of toetreding door Staten gemaakte voorbehouden en brengt deze ter kennis van alle Staten die partij zijn of partij kunnen worden bij dit Verdrag. Elke Staat die bezwaar maakt tegen een voorbehoud deelt, binnen een tijdvak van negentig dagen te rekenen van de datum van genoemde kennisgeving, de Secretaris-Generaal mede dat hij het niet aanvaardt.

2 Er mag geen voorbehoud worden gemaakt dat onverenigbaar is met het object en het doel van dit Verdrag, noch mag een voorbehoud worden gemaakt dat belemmering van de werkzaamheden van een of meer der krachtens dit Verdrag ingestelde organen tot gevolg zou hebben. Een voorbehoud wordt als onverenigbaar of als belemmerend beschouwd indien ten minste twee derde van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag er bezwaar tegen maken.

3 Voorbehouden kunnen te allen tijde worden ingetrokken door middel van een daartoe strekkende aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. Een zodanige kennisgeving wordt van kracht op de datum waarop zij wordt ontvangen.

Regeling
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
09-01-1972
BWB-id
BWBV0002911
Versie
1972-01-09_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl