wetzoeker

Bijlage A — Richtlijnen voor de huisvesting en verzorging van dieren (deel 1) Europese Overeenkomst voor de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging

Richtlijnen voor de huisvesting en verzorging van dieren

INHOUD

Inleiding

1. De gebouwen

1.1. Functies en algemeen ontwerp

1.2. Verblijfsruimten

1.3. Laboratoria en algemene en bijzondere werkruimten

1.4. Dienstruimten

2. Leefmilieu in de verblijfsruimten en de beheersing hiervan

2.1. Ventilatie

2.2. Temperatuur

2.3. Vochtigheid

2.4. Verlichting

2.5. Geluid

2.6. Alarmsysteem

3. Verzorging

3.1. Gezondheid

3.2. Gevangenneming

3.3. Omstandigheden van verpakking en vervoer

3.4. Ontvangst en uitpakken

3.5. Quarantaine, isolatie en aanpassing

3.6. Plaatsing in kooi

3.7. Voeding

3.8. Water

3.9. Bedding/strooisel

3.10. Beweging en behandeling

3.11. Reiniging

3.12. Het doden van dieren op humane wijze

Inleiding

1. De lidstaten van de Raad van Europa hebben besloten dat zij zich ten doel stellen, levende dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, te beschermen, ten einde te waarborgen dat pijn, of onnodig lijden, dan wel angst of blijvend letsel hun toegebracht als gevolg van procedures waaraan zij worden onderworpen, tot een strict minimum worden beperkt.

2. Het is waar dat sommige procedures worden verricht in het veld op in vrijheid levende, in hun eigen bestaan voorziende, wilde dieren, maar deze procedures zijn zeer beperkt in aantal. Het merendeel van de dieren die voor de procedures worden gebruikt, moet, om praktische redenen, onder de één of andere vorm van fysiek toezicht worden gehouden in onderkomens, variërend van omheinde buiten-terreinen tot hokken voor kleine dieren in het dierenverblijf van een laboratorium. Dit is een situatie waarin sprake is van vele tegenstrijdige belangen. Enerzijds het dier, wiens behoeften aan bewegingsvrijheid, sociale contacten en andere levensuitingen moeten worden beperkt, anderzijds degene die de procedures verricht en diens assistenten, die volledige controle over het dier en zijn omgeving eisen. In deze belangentegenstelling kan het belang van het dier soms op de tweede plaats komen.

3. Daarom bepaalt de Europese Overeenkomst voor de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden in artikel 5: „Elk dier, gebruikt of bestemd voor gebruik in een procedure, krijgt een onderkomen, een omgeving, ten minste een zekere bewegingsvrijheid, voedsel, water en verzorging passend bij zijn gezondheid en zijn welzijn. Iedere beperking van de mate waarin het dier aan zijn fysiologische en ethologische behoeften kan voldoen, dient zo gering mogelijk te zijn.”

4. Deze bijlage bevat een aantal richtlijnen gebaseerd op de huidige kennis en praktijk inzake de huisvesting en verzorging van dieren. Zij legt uit en vult aan de in artikel 5 aanvaarde grondbeginselen. Het op deze wijze nagestreefde doel is derhalve de autoriteiten, instellingen en individuen te helpen in hun streven naar verwezenlijking van de doelstellingen van de Raad van Europa op dit gebied.

5. Het woord „verzorging”, gebruikt in relatie tot dieren die zijn bestemd voor of feitelijk worden gebruikt in procedures, omvat alle aspecten van de betrekkingen tussen het dier en de mens. Het begrip omvat het totaal van materiële en niet-materiële middelen die door de mens worden aangewend om een dier in een zodanige fysieke en mentale toestand te brengen en te houden, waar het zo min mogelijk lijdt en zo goed mogelijk functioneert in de procedures. De verzorging duurt vanaf het moment waarop het dier wordt uitgekozen om gebruikt te worden bij procedures tot het moment waarop het dier op humane wijze wordt gedood of op een andere wijze uit de weg wordt geruimd door de instelling aan het einde van de procedure overeenkomstig artikel 11 van de Overeenkomst.

6. De bijlage beoogt advies te geven over de bouw van passende dierenverblijven. Er zijn evenwel verschillende methoden voor het fokken en houden van laboratoriumdieren, die zich voornamelijk van elkaar onderscheiden door de mate waarin het microbiologisch milieu wordt beheerst. Voorts dient men te bedenken dat het betrokken personeel soms op grond van het karakter en de conditie van de dieren zelf zal moeten beoordelen of de aanbevolen normen inzake de ruimte onvoldoende zijn, zoals bij bijzonder agressieve dieren. Bij de toepassing van de in deze bijlage gegeven richtlijnen dient rekening te worden gehouden met de eisen van die verschillende situaties. Bovendien is het nodig de status van deze richtlijnen duidelijk te maken. In tegenstelling tot de bepalingen van de Overeenkomst zelf zijn ze niet bindend: het zijn aanbevelingen die naar eigen inzicht moeten worden gehanteerd, bedoeld als handleiding in de praktijk en als maatstaf die alle betrokkenen gewetensvol zouden dienen na te streven. Daarom is de term „zouden” gebruikt in de gehele tekst, zelfs daar waar „dienen” passender zou lijken. Het is bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat voedsel en water dienen te worden verstrekt (zie 3.7.2 en 3.8).

7. Ten slotte, om praktische en financiële redenen behoeven bestaande dierenverblijven niet te worden vervangen zolang ze in goede staat verkeren of zolang ze niet anderszins onbruikbaar zijn geworden. In afwachting van vervanging door onderkomens die voldoen aan deze richtlijnen, zou zo veel mogelijk aan de richtlijnen dienen te worden voldaan door het aantal en de grootte van de dieren af te stemmen op de bestaande kooien en hokken.

Definities

In deze bijlage A wordt, naast de definities vervat in artikel 1.2 van de Overeenkomst, verstaan onder:

a. „verblijfsruimten”: vertrekken waar de dieren normaal zijn ondergebracht, hetzij voor de fokkerij of om in voorraad te houden, hetzij tijdens de uitvoering van een procedure;

b. „kooi”: door gesloten wanden omsloten vaste of verplaatsbare houder, waarvan ten minste één wand bestaat uit metalen tralies of gaas of, indien nodig, netwerk en waarin één of meer dieren worden gehouden of vervoerd; afhankelijk van de bezettingsgraad en de afmetingen van de kooi, is de bewegingsvrijheid van de dieren betrekkelijk beperkt;

c. „box/hok”: een oppervlak omsloten door bijvoorbeeld wanden, tralies of gaas, waar één of meer dieren worden gehouden; afhankelijk van de grootte van het terrein en de bezettingsgraad is de bewegingsvrijheid van de dieren gewoonlijk minder beperkt dan in een kooi;

d. „ren”: een oppervlak omsloten door bijvoorbeeld hekken, wanden, tralies of gaas en veelal gelegen buiten permanente gebouwen, waar dieren die in kooien of boxen worden gehouden zich een bepaalde tijd overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften, zoals lichaamsbeweging, vrij kunnen bewegen;

e. „stal”: een kleine ruimte met drie wanden, gewoonlijk voorzien van een ruif en van laterale tussenschotten, waar één of twee dieren vastgebonden kunnen worden gehouden.

1. De gebouwen

1.1. Functies en algemeen ontwerp

1.1.1. Ieder gebouw zou zo ontworpen dienen te zijn dat dit een passende omgeving biedt aan de erin ondergebrachte diersoorten. Zij zou tevens zo ontworpen dienen te zijn dat onbevoegden de toegang wordt belet.

Gebouwen die een onderdeel vormen van een groter gebouwencomplex zouden ook dienen te worden beveiligd door behoorlijke bouwvoorschriften en regelingen die het aantal ingangen beperken en het verkeer van onbevoegden beletten.

1.1.2. Het verdient aanbeveling een onderhoudsprogramma voor de gebouwen op te stellen, teneinde storingen in het toebehoren te voorkomen.

1.2. Verblijfsruimten

Regeling
Europese Overeenkomst voor de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-12-2005
BWB-id
BWBV0002789
Versie
2005-12-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl