wetzoeker

Artikel 3 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing

1 Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of terugzenden („refouler") naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.

2 Bij het vaststellen of zodanige redenen aanwezig zijn, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met alle van belang zijnde overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of massale schendingen van mensenrechten.

Regeling
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
20-01-1989
BWB-id
BWBV0002507
Versie
1989-01-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl