wetzoeker

Artikel 4 Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van het beginsel ne bis in idem

1 Indien in een Lid-Staat iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze Lid-Staat redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht in een andere Lid-Staat, verzoeken deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarin reeds vonnis was gewezen om de nodige inlichtingen in dezen.

2 De aldus gevraagde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk verstrekt en worden in overweging genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet.

3 Iedere Lid-Staat wijst op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst de autoriteiten die bevoegd zijn de in dit artikel bedoelde inlichtingen te vragen en te ontvangen.

Regeling
Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van het beginsel ne bis in idem
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
06-04-1994
BWB-id
BWBV0002161
Versie
1994-04-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl