wetzoeker

4 Verdrag betreffende de erkenning en de ten uitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken

De gronden voor bevoegdheid, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, zijn de volgende:

a) de aanwezigheid van goederen van de verweerder of de inbeslagneming van goederen door de eiser, op het grondgebied van de Staat van herkomst, tenzij:

- de vordering tot onderwerp heeft de eigendom of het bezit van bedoelde goederen, dan wel een ander geschil over die goederen betreft,

- of het geschil betrekking heeft op een schuldvordering waarvoor op bedoeld grondgebied zakelijke zekerheid is verschaft;

b) de nationaliteit van de eiser;

c) de woonplaats, het gewoon verblijf of het tijdelijke verblijf van de eiser in de Staat van herkomst, tenzij bevoegdheid op deze grond is toegekend wegens de bijzondere aard van het onderwerp van bepaalde verbintenissen;

d) het feit dat de verweerder zaken heeft gedaan op het grondgebied van de Staat van herkomst, zonder dat het geschil op die zaken betrekking heeft;

e) de dagvaarding is betekend in de Staat van herkomst gedurende een tijdelijk verblijf aldaar van de verweerder;

f) een eenzijdige aanwijzing van het gerecht door de eiser, met name in een factuur.

Regeling
Verdrag betreffende de erkenning en de ten uitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
20-08-1979
BWB-id
BWBV0002002
Versie
1979-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl