wetzoeker

Artikel 12 Verdrag betreffende de erkenning en de ten uitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken

Voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging

De bevoegdheid van het gerecht van de Staat van herkomst behoeft door de aangezochte autoriteit niet te worden erkend in de volgende gevallen:

1. wanneer het recht van de aangezochte Staat uit hoof de van het onderwerp van het geschil of op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst aan de gerechten van die Staat bevoegdheid bij uitsluiting toekent tot kennisneming van de vordering die aanleiding heeft gegeven tot de buitenlandse beslissing;

2. wanneer het recht van de aangezochte Staat uit hoofde van het onderwerp van het geschil bevoegdheid bij uitsluiting van een ander gerecht erkent of wanneer de aangezochte autoriteit zich gehouden acht die bevoegdheid bij uitsluiting op grond van een tussen de partijen gesloten overeenkomst te erkennen;

3. wanneer de aangezochte autoriteit zich gehouden acht een overeenkomst te erkennen waarbij bevoegdheid bij uitsluiting is toegekend aan scheidsmannen.

Regeling
Verdrag betreffende de erkenning en de ten uitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
20-08-1979
BWB-id
BWBV0002002
Versie
1979-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl