Bijlage V — Grenswaarden voor de beperking van emissies door belangrijke stationaire bronnen (deel 1) Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen
Grenswaarden voor de beperking van emissies door belangrijke stationaire bronnen
1. Twee soorten grenswaarden zijn belangrijk voor beheersing van de emissie van zware metalen:
a. Waarden voor specifieke zware metalen of groepen van zware metalen; en
b. Waarden voor emissies van zwevende deeltjes in het algemeen.
2. In beginsel kunnen grenswaarden voor zwevende deeltjes niet de specifieke grenswaarden voor cadmium, lood en kwik vervangen, omdat de hoeveelheid metalen bij stofvormige emissies van proces tot proces verschilt. Naleving van deze grenswaarden draagt evenwel aanzienlijk bij tot vermindering van de emissie van zware metalen in het algemeen. Controle van stofvormige emissies is gewoonlijk minder duur dan controle van de verschillende soorten en continue controle van afzonderlijke zware metalen is doorgaans niet uitvoerbaar. Grenswaarden voor zwevende deeltjes zijn bijgevolg van groot praktisch belang en zijn in deze bijlage in de meeste gevallen vastgesteld als aanvulling of vervanging van specifieke grenswaarden voor cadmium of lood of kwik.
3. Afdeling A is van toepassing op Partijen anders dan de Verenigde Staten van Amerika. Afdeling B is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.
A. Andere Partijen dan de Verenigde Staten van Amerika
4. Uitsluitend in deze afdeling wordt onder „stof” verstaan de massa van deeltjes met elke vorm, dichtheid of structuur die onder de omstandigheden ter plaatse van het monsternemingspunt zwevend in de gasfase voorkomen die na representatieve monsterneming van het te onderzoeken gas verzameld kunnen worden door filtratie onder de vastgelegde omstandigheden en die na drogen onder de vastgelegde omstandigheden bovenstrooms van het filter en op het filter achterblijven.
5. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) of „grenswaarde” verstaan de hoeveelheid stof en specifieke zware metalen in de zin van dit Protocol in de afgassen van een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m 3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273.15 K, 101.3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van apparatuur zijn hiervan uitgezonderd.
6. Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of berekeningen waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. De relevante zware metalen worden ten minste eenmaal per drie jaar gemeten bij iedere industriële bron. Voor de uitvoering van metingen en berekeningen wordt de leidraad in aanmerking genomen die de Partijen hebben aangenomen tijdens de zitting van het uitvoerend orgaan. Bij ononderbroken metingen worden de grenswaarden nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de emissie de grenswaarden niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende vaststellings- of berekeningsmethoden wordt naleving van de emissiegrenswaarden bereikt indien de gemiddelde waarde op basis van een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden. Indirecte monitoring van stoffen is ook mogelijk via de som van parameters / cumulatieve parameters (bijvoorbeeld stof als de som van parameters voor zware metalen). In sommige gevallen kan het gebruik van een bepaalde techniek voor de behandeling van emissies waarborgen dat een waarde of grenswaarde behaald of gehandhaafd wordt.
7. Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een vergelijkbare wetenschappelijke kwaliteit.
Verbrandingsinstallaties (ketels en procesverhitters) met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 50 MWth
1) Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.
(bijlage II, categorie 1)
8. De grenswaarden voor stofemissies voor de verbranding van vaste en vloeibare brandstoffen, anders dan biomassa en turf.
2) EGW zijn met name niet van toepassing op:
– installaties die uitsluitend biomassa en turf als brandstof gebruiken
– installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;
– naverbrandingsinstallaties ontworpen om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als zelfstandige verbrandingsinstallaties worden gebruikt;
– voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
– voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
– in de chemische industrie gebruikte reactoren;
– cokesovenbatterijen;
– windverhitters;- terugwinningsketels in installaties voor de productie van pulp;
– vuilverbrandingsinstallaties; en- door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
Tabel 1
Brandstoftype | Thermisch ingangsvermogen (MWth) | EGW voor stof (mg/m 3 ) 1)
Vaste brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
Bestaande installaties: 30 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
100–300 | Nieuwe installaties: 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
Bestaande installaties: 25 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
>300 | Nieuwe installaties: 10 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
Bestaande installaties: 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
Vloeibare brandstoffen | 50–100 | Nieuwe installaties: 20
Bestaande installaties: 30 (algemeen) 50 voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie voor eigen verbruik in verbrandingsinstallaties
Vloeibare brandstoffen | 100–300 | Nieuwe installaties: 20
Bestaande installaties: 25 (algemeen) 50 voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie voor eigen verbruik in verbrandingsinstallaties
>300 | Nieuwe installaties: 10
Bestaande installaties: 20 (algemeen) 50 voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie voor eigen verbruik in verbrandingsinstallaties
1) Voor de grenswaarden wordt uitgegaan van een O 2 -referentiegehalte in afgassen van 6% voor vaste brandstoffen en 3% voor vloeibare brandstoffen.
9. Bijzondere bepalingen voor in paragraaf 8 bedoelde verbrandingsinstallaties:
a. Een Partij mag in de volgende gevallen afwijken van de verplichting de in paragraaf 8 voorziene emissiegrenswaarden na te leven:
i. Bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof dienen te gebruiken en om die reden zouden moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur;
- Regeling
- Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 08-02-2022
- BWB-id
- BWBV0001437
- Versie
- 2022-02-08_0