wetzoeker

Bijlage III — Technische en operationele minimumeisen voor belangrijke Europese binnenwateren voor internationaal gecombineerd vervoer (deel 1) Protocol inzake gecombineerd vervoer over binnenwateren bij de Europese Overeenkomst inzake belangrijke internationale gecombineerde vervoerslijnen en daarmee samenhangende installaties (AGTC) van 1991

Technische en operationele minimumeisen voor belangrijke Europese binnenwateren voor internationaal gecombineerd vervoer

a. Technische kenmerken van C-E-wateren

De belangrijkste technische kenmerken van C-E-wateren komen doorgaans overeen met de in Tabel 1 opgenomen classificatie van Europese binnenwateren.

Voor de beoordeling van de verschillende C-E-wateren dienen de kenmerken van de categorieën Vb-VII te worden gehanteerd, met inachtneming van de volgende beginselen:

i. De categorie vaarverbinding wordt bepaald door de horizontale afmetingen van motorvaartuigen, duwbakken en duwstellen en wel primair op basis van de belangrijkste standaardafmeting: de grootste breedte;

ii. De waarden voor categorie Vb in Tabel 1 dienen als belangrijke minimumdoelstellingen te worden beschouwd, waaraan in het kader van relevante programma's voor de ontwikkeling van infrastructuur dient te worden voldaan. Voor nieuwe binnenwateren die dienst gaan doen voor gecombineerd vervoer dient een minimale diepgang van 280 cm te worden verzekerd;

iii. Wil een vaarverbinding zich lenen voor containervervoer, dan dient deze aan de volgende minimumeisen te voldoen:

binnenvaartschepen met een breedte van 11,4 m en een lengte van ongeveer 110 m moeten met drie lagen containers of meer kunnen varen; anders moet worden gezorgd dat een duwstellengte van 185 m is toegestaan, in welk geval deze vaartuigen met twee lagen containers zouden kunnen varen;

iv. Bij het moderniseren van bestaande wateren en/of het aanleggen van nieuwe dient steeds rekening te worden gehouden met vaartuigen en duwstellen van grotere afmetingen;

v. Om doelmatiger containervervoer te waarborgen, dient te worden gezorgd voor een zo groot mogelijke doorvaarthoogte, in overeenstemming met voetnoot 4 van Tabel 1

3) Indien het percentage lege containers echter meer dan 50% bedraagt, zou een ruimere minimumdoorvaarhoogte onder bruggen dan vermeld in voetnoot 4 van Tabel 1 moeten worden overwogen.

;

vi. Op wateren met een veranderlijk waterpeil moet de waarde van de aanbevolen diepgang overeenkomen met die welke gemiddeld 240 dagen per jaar (of 60% van de navigatieperiode) wordt bereikt of overtroffen. De waarde van de aanbevolen doorvaarhoogte onder bruggen (5,25, 7,00 of 9,10 m) moet, voor zover dat mogelijk en economisch haalbaar is, voor het hoogste vaarpeil worden gegarandeerd;

vii. Voor de hele vaarverbinding of althans aanzienlijke gedeelten hiervan dienen een uniforme categorie, diepgang of doorvaarhoogte onder bruggen te worden gewaarborgd;

viii. Waar mogelijk moeten de parameters van aangrenzende binnenwateren hetzelfde of vergelijkbaar zijn;

ix. De grootste diepgang (4,50 m) en de grootste minimumdoorvaarhoogte onder bruggen (9,10 m) moeten op alle delen van het net die rechtstreeks in verbinding staan met kustroutes worden verzekerd;

x. Een minimumdoorvaarhoogte van 7 m moet worden gewaarborgd op vaarwegen die belangrijke zeehavens verbinden met het achterland en die geschikt zijn voor doelmatig containervervoer en verkeer van de rivier naar zee en andersom;

xi. De in Bijlage 1 vermelde kustroutes beogen de continuïteit van het net van C-E-vaarwegen in heel Europa te verzekeren en zijn bestemd om te worden gebruikt, in de zin van dit Protocol, door kruiplijncoasters, waarvan de afmetingen, voor zover mogelijk en economisch haalbaar, voldoen aan de vereisten voor vaartuigen met eigen aandrijving die geschikt zijn voor het bevaren van binnenwateren van de categorieën Vb en hoger.

Voetnoten bij tabel 1

1) Het eerste cijfer correspondeert met de bestaande situaties, terwijl het tweede zowel de toekomstige ontwikkelingen, als, in sommige gevallen, de bestaande situaties weergeeft.

2) Laat een veiligheidsmarge van ongeveer 0,30 m tussen het hoogste punt van de opbouw of de lading van het vaartuig en een brug.

3) Houdt rekening met de verwachte toekomstige ontwikkelingen in ro-ro-, container- en kustvaart.

4) Geverifieerde hoogte voor containervervoer: 5,25 voor vaartuigen die 2 lagen containers vervoeren; 7,00 m voor vaartuigen die drie lagen containers vervoeren; 9,10 voor vaartuigen die 4 lagen containers vervoeren. 50% van de containers mag leeg zijn; boven dit percentage moet ballast worden gebruikt.

5) De diepgangswaarde voor een bepaald binnenwater, vast te stellen in overeenstemming met de lokale omstandigheden.

6) Op sommige delen van wateren van categorie VII kunnen ook duwstellen bestaande uit een groter aantal duwbakken varen. In dit geval mogen de horizontale afmetingen groter zijn dan de in deze tabel vermelde waarden.

b. Operationele minimumeisen voor C-E-wateren

C-E-wateren moeten voldoen aan de volgende essentiële operationele criteria om betrouwbaar internationaal vervoer te kunnen waarborgen:

i. Gedurende de gehele navigatieperiode, met uitzondering van de hieronder vermelde onderbrekingen, moet het scheepvaartverkeer worden gewaarborgd;

ii. De navigatieperiode mag alleen korter zijn dan 365 dagen in gebieden met een streng klimaat, waar het in de wintertijd niet mogelijk is een vaargeul ijsvrij te houden en onderbreking van de scheepvaart in de winter dus noodzakelijk is. In deze gevallen moeten data worden vastgesteld voor openstelling en sluiting van de scheepvaart. De duur van de onderbrekingen van de navigatieperiode als gevolg van natuurverschijnselen als bevriezing, overstromingen, enzovoorts, dient met behulp van adequate technische en organisatorische maatregelen tot een minimum te worden beperkt;

iii. De duur van onderbrekingen van de navigatieperiode wegens regelmatig onderhoud van sluizen en andere hydraulische voorzieningen dient tot een minimum te worden beperkt. De gebruikers van wateren waar onderhoudswerkzaamheden op het programma staan, moeten op de hoogte worden gehouden van de data en de duur van de beoogde onderbreking van de scheepvaart. Wanneer sluizen of andere hydraulische voorzieningen onverwacht gebreken vertonen of in andere gevallen van overmacht, moet de duur van de onderbrekingen met behulp van alle geëigende middelen om de problemen te verhelpen, zo veel mogelijk worden beperkt.

iv. Gedurende periodes van laagwater zijn onderbrekingen niet toegestaan. Op wateren met een veranderend waterpeil kunnen echter redelijke beperkingen van toelaatbare diepgang worden toegestaan. Er dient echter te allen tijde een minimumdiepgang van 1,20 m te worden gewaarborgd en de aanbevolen of gebruikelijke diepgang moet 240 dagen per jaar worden gewaarborgd of overtroffen. In de in punt ii hierboven bedoelde gebieden moet gemiddeld gedurende 60% van de navigatieperiode een minimumdiepgang van 1,20 m worden gewaarborgd.

v. Bedieningstijden van sluizen, beweegbare bruggen en andere infrastructurele werken dienen zodanig te zijn dat op werkdagen 24 uur per dag kan worden gevaren, indien dit economisch haalbaar is. In specifieke gevallen kunnen om organisatorische en/of technische redenen uitzonderingen worden toegestaan. Tijdens feestdagen en weekends dienen tevens redelijke vaaruren te worden gewaarborgd.

c. Technische en operationele minimumeisen voor terminals in havens.

Het net van C-E-wateren dient te worden aangevuld met een stelsel van terminals in binnenhavens. Elke terminal dient aan de volgende technische en operationele minimumeisen te voldoen:

i. Hij moet aan een C-E water zijn gelegen;

ii. Hij moet geschikt zijn voor vaartuigen of duwstellen die op de desbetreffende C-E-wateren overeenkomstig de categorie daarvan worden gebruikt;

iii. Hij moet in verbinding staan met de hoofdwegen en -spoorlijnen (die bij voorkeur behoren tot het door de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen (AGR), de Europese Overeenkomst inzake belangrijke internationale spoorwegen (AGC) en de Europese Overeenkomst inzake belangrijke lijnen voor het internationaal gecombineerd vervoer en daarmee samenhangende installaties (AGTC) tot stand gebrachte internationale wegen- en spoorwegennet;

iv. De gecombineerde vrachtafhandelingscapaciteit moet liggen in de orde van grootte van 30.000 tot 40.000 TEU per jaar;

Regeling
Protocol inzake gecombineerd vervoer over binnenwateren bij de Europese Overeenkomst inzake belangrijke internationale gecombineerde vervoerslijnen en daarmee samenhangende installaties (AGTC) van 1991
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
29-12-2016
BWB-id
BWBV0001415
Versie
2016-12-29_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl