Artikel 21 Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie
Memorandum van Overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen
1 Onmiddellijke naleving van de aanbevelingen of uitspraken van het DSB is van wezenlijk belang om te zorgen voor een effectieve beslechting van geschillen ten voordele van alle Leden.
2 Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan kwesties die de belangen raken van Leden die ontwikkelingsland zijn met betrekking tot maatregelen die zijn onderworpen aan geschillenbeslechting.
3 Op een bijeenkomst van het DSB, gehouden binnen dertig dagen
1) Indien gedurende deze termijn geen bijeenkomst van het DSB is gepland, dient hiertoe een bijeenkomst van het DSB te worden belegd.
na de aanneming van het rapport van een panel of de Beroepsinstantie, stelt het betrokken Lid het DSB in kennis van zijn voornemens ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen en uitspraken van het DSB. Indien het onmogelijk is de aanbevelingen en uitspraken onmiddellijk na te leven, krijgt het betrokken Lid een redelijke termijn om zulks alsnog te doen. Een redelijke termijn is:
a. de door het betrokken Lid voorgestelde termijn, mits die termijn door het DSB wordt goedgekeurd; of, bij gebreke van goedkeuring,
b. een binnen vijfenveertig dagen na de aanneming van de aanbevelingen of uitspraken door de partijen bij het geschil onderling overeengekomen termijn; of bij gebreke van overeenstemming hierover,
c. een binnen negentig dagen na de aanneming van de aanbevelingen of uitspraken bij bindende arbitrage vastgestelde termijn.
2) Indien de partijen niet binnen tien dagen nadat de kwestie voor arbitrage is voorgelegd, overeenstemming kunnen bereiken over een arbiter, wordt de arbiter binnen tien dagen benoemd door de Directeur-generaal, na raadpleging van de partijen.
Bij deze arbitrage dient als richtsnoer voor de arbiter
3) De term „arbiter” moet zodanig worden geïnterpreteerd, dat hieronder zowel een persoon als een groep kan worden verstaan.
te gelden dat de redelijke termijn voor tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van een panel of de Beroepsinstantie niet langer mag zijn dan vijftien maanden na de aanneming van een rapport van een panel of de Beroepsinstantie. De termijn kan evenwel korter of langer zijn, afhankelijk van de omstandigheden.
4 Behalve indien het panel of de Beroepsinstantie ingevolge artikel 12, negende lid, of artikel 17, vijfde lid, de termijn voor het verstrekken van zijn c.q. haar rapport heeft verlengd, mag het tijdvak vanaf de datum van de vorming van het panel door het DSB tot aan de vaststelling van de redelijke termijn niet langer zijn dan vijftien maanden, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen. Wanneer ofwel het panel ofwel de Beroepsinstantie heeft besloten de termijn voor het verstrekken van zijn c.q. haar rapport te verlengen, wordt de genomen extra tijd bij de termijn van vijftien maanden geteld, met dien verstande dat de termijn in totaal niet langer mag zijn dan achttien maanden, tenzij de partijen bij het geschil overeenkomen dat er sprake is van buitengewone omstandigheden.
5 Wanneer er onenigheid heerst omtrent het bestaan van maatregelen genomen ter naleving van de aanbevelingen of uitspraken, of omtrent de verenigbaarheid van die maatregelen met een vermelde overeenkomst, dient over dat geschil te wordt beslist door middel van gebruikmaking van deze procedures voor geschillenbeslechting, met inbegrip van, waar mogelijk, een beroep op het oorspronkelijke panel. Het panel geeft zijn beslissing binnen negentig dagen nadat de kwestie aan het panel is voorgelegd. Wanneer het panel van oordeel is dat het zijn rapport niet binnen deze termijn kan verstrekken, stelt het het DSB schriftelijk in kennis van de redenen voor de vertraging, te zamen met een schatting van de termijn waarbinnen het zijn rapport zal voorleggen.
6 Het DSB ziet toe op de tenuitvoerlegging van de aangenomen aanbevelingen of uitspraken. De kwestie van de tenuitvoerlegging van aanbevelingen of uitspraken kan, te allen tijde na aanneming daarvan, door elk Lid aan het DSB worden voorgelegd. Tenzij het DSB anders beslist, wordt de kwestie van de tenuitvoerlegging van aanbevelingen of uitspraken op de agenda van de bijeenkomst van het DSB geplaatst, zulks na zes maanden na de vaststelling van de redelijke termijn ingevolge het derde lid, en blijft deze op de agenda van het DSB staan totdat de kwestie is opgelost. Uiterlijk tien dagen voor elke zodanige bijeenkomst van het DSB verstrekt het betrokken Lid het DSB een schriftelijk overzicht van de vorderingen die het heeft gemaakt in de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen of uitspraken.
7 Indien het een kwestie betreft die is voorgelegd door een Lid dat ontwikkelingsland is, gaat het DSB na welke verdere stappen het zou kunnen ondernemen die, gelet op de omstandigheden, passend zijn.
8 Indien het een zaak betreft die aanhangig is gemaakt door een Lid dat ontwikkelingsland is, houdt het DSB, wanneer het nagaat welke passende stappen zouden kunnen worden ondernomen, niet alleen rekening met het handelsverkeer dat wordt getroffen door de maatregelen waartegen een klacht is ingediend, maar ook met de gevolgen daarvan voor de economie van de betrokken Leden die ontwikkelingsland zijn.
- Regeling
- Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie
- Afkortingen
- GATS, GATT 1994, TRIPS, WTO, WTO Oprichting
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 23-01-2017
- BWB-id
- BWBV0001160
- Versie
- 2017-01-23_0