wetzoeker

Artikel 11 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake scheepvaart

1 Bemanningsleden in het bezit van de desbetreffende in artikel 9 bedoelde identiteitsbewijzen hebben het recht, ongeacht de wijze van vervoer, het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij binnen te komen of door dat grondgebied te reizen ten einde zich weer bij hun schip te voegen, te worden overgebracht naar een ander schip, naar hun land terug te keren of ten behoeve van enig ander doel te reizen met toestemming van de bevoegde autoriteiten van die andere Overeenkomstsluitende Partij.

2 In alle in het eerste lid bedoelde gevallen zijn de zeevarenden verplicht in het bezit te zijn van het door de andere Overeenkomstsluitende Partij vereiste visum. Dit document wordt zo spoedig mogelijk door de bevoegde autoriteiten afgegeven.

3 Indien de houder van een in artikel 9 van deze Overeenkomst bedoeld identiteitsbewijs voor zeevarenden niet de nationaliteit van een van de Overeenkomstsluitende Partijen bezit, worden de in dit artikel bedoelde inreis- of doorreisvisa voor het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij afgegeven, mits de terugkeer van de houder naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die het identiteitsbewijs heeft afgegeven, is gewaarborgd.

Regeling
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake scheepvaart
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-07-1994
BWB-id
BWBV0001082
Versie
1994-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl