wetzoeker

Artikel 11 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië

1 Op verzoek van de verzoekende Staat worden, voor zover dat naar het recht van de aangezochte Staat is toegestaan en behoudens de rechten van derden, die naar behoren dienen te worden geëerbiedigd, alle in de aangezochte Staat aangetroffen voorwerpen, die zijn verworven als gevolg van het strafbare feit of die vereist zijn als bewijs, overgedragen indien de uitlevering wordt toegestaan.

2 Behoudens de beperkingen in het eerste lid van dit artikel worden de bovengenoemde voorwerpen, indien de verzoekende Staat zulks verzoekt, aan de verzoekende Staat overgedragen, zelfs indien de uitlevering niet kan worden uitgevoerd wegens het overlijden of de ontvluchting van de opgeëiste persoon.

3 Waar het recht van de aangezochte Staat of de rechten van derden zulks vereisen, worden aldus overgedragen voorwerpen kosteloos aan de aangezochte Staat teruggegeven, indien die Staat zulks verzoekt.

Regeling
Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1988
BWB-id
BWBV0001040
Versie
1988-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl