wetzoeker

BIJLAGE I Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen

Elke Verdragsluitende Staat kan verklaren zich het recht voor te behouden :

(a) de tenuitvoerlegging te weigeren als hij van mening is dat de veroordeling een strafbaar feit van fiscale of godsdienstige aard betreft;

(b) de tenuitvoerlegging te weigeren van een sanctie, die is opgelegd wegens een feit, dat volgens zijn wetgeving uitsluitend tot de bevoegdheid van een bestuurlijke autoriteit zou hebben behoord;

(c) de tenuitvoerlegging te weigeren van een Europees strafvonnis, dat is gewezen door de autoriteiten van de verzoekende Staat op een tijdstip waarop het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop het vonnis betrekking heeft zou zijn verjaard volgens de bepalingen van zijn eigen wet;

(d) de tenuitvoerlegging te weigeren van verstekvonnissen en van straf beschikkingen of van slechts een van die categorieën van beslissingen ;

(e) de toepassing te weigeren van de bepalingen van artikel 8 in de gevallen waarin hij een bevoegdheid uit eigen hoofde bezit en in die gevallen slechts de gelijkwaardigheid te erkennen van handelingen in de verzoekende Staat die de verjaring stuiten of schorsen;

(f) de toepassing van Hoofdstuk III slechts te aanvaarden voor een van beide Afdelingen.

Regeling
Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
06-09-1993
BWB-id
BWBV0001038
Versie
1993-09-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl