II — Protocol betreffende de burgerrechterlijke aansprakelijkheid voor ambtenaren die optreden op het grondgebied van een andere Partij Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden
Protocol betreffende de burgerrechterlijke aansprakelijkheid voor ambtenaren die optreden op het grondgebied van een andere Partij
De artikelen 26 en 27 van het verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken scheppen de mogelijkheid dat ambtenaren, belast met het opsporen en constateren van strafbare feiten, optreden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waartoe zij behoren. Ook het Beneluxverdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen (artikel 4) en het ontwerp-verdrag over de samenwerking inzake de regeling van de in-, uit- en doorvoer (artikel 13) bevatten soortgelijke bepalingen.
Het toenemende aantal gevallen, waarin die ambtenaren buiten hun eigen grondgebied kunnen optreden, maakt het gewenst een regeling te treffen aangaande de burgerrechterlijke aansprakelijkheid ten aanzien van schade, die zij bij een dergelijk optreden zouden kunnen veroorzaken. Bij gebreke van een dergelijke regeling zouden omtrent deze kwestie immers in de praktijk moeilijkheden kunnen rijzen.
Een afzonderlijk Protocol, dat niet alleen betrekking heeft op gevallen die zich kunnen voordoen bij de toepassing van het onderhavige verdrag, maar ook op die welke kunnen voortvloeien uit de beide eerdervermelde Beneluxverdragen en soortgelijke verdragen die eventueel in de toekomst tot stand zullen komen, lijkt tot regeling van deze materie het meest aangewezen.
Uitgangspunt voor het onderhavige Protocol is geweest dat een persoon aan wie in zijn eigen land door een opsporingsambtenaar van een ander land schade is toegebracht, dezelfde rechten en dezelfde mogelijkheden tot verhaal moet bezitten als wanneer die schade hem zou zijn toegebracht door een ambtenaar van zijn eigen land. De uitbreiding van de bevoegdheden van de ambtenaren mag niet leiden tot een vermindering van de bescherming van de benadeelden.
In verband daarmede assimileert het Protocol buitenlandse ambtenaren aan nationale ambtenaren met betrekking tot hun eigen burgerrechtelijke aansprakelijkheid, en met betrekking tot die van de autoriteiten van de partij waartoe zij behoren - assimilatie die voor wat betreft het strafrecht reeds in artikel 28 van het verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken is opgenomen.
Ingevolge artikel 1 van het Protocol zullen ambtenaren, die zich, in verband met een optreden voorzien in enige Beneluxovereenkomst, op het gebied van een ander Beneluxland bevinden volgens de wetgeving van dat land aansprakelijk zijn voor schade die zij aldaar veroorzaken. Dit brengt mede dat de persoonlijke aansprakelijkheid van die ambtenaren dezelfde is als die van de ambtenaren van het land waar de schade werd toegebracht.
De autoriteiten van de Partij waartoe die ambtenaren behoren zullen op grond van artikel 2 op dezelfde wijze en in dezelfde mate aansprakelijk zijn als de autoriteiten van de Partij op wier grondgebied de schade werd toegebracht dit zouden zijn, indien de schade onder soortgelijke omstandigheden door hun eigen ambtenaren was veroorzaakt.
Op grond van artikel 3 erkennen de Verdragsluitende Partijen de rechtsmacht van de rechter van het land waar de schade werd toegebracht. Dit houdt in dat zowel de ambtenaar, die de schade veroorzaakte, als de autoriteiten van de Partij, waartoe hij behoort, voor de rechter van dat land gedagvaard zullen kunnen worden en dat de Partijen ervan afzien een beroep te doen op immuniteit van rechtsmacht.
In geval van veroordeling tot schadevergoeding, zullen de autoriteiten daaraan ingevolge het bepaalde in artikel 4 vrijwillig gevolg geven. Enig exequatur zal niet zijn vereist. Uiteraard zullen de autoriteiten eerst verplicht zijn aan een rechterlijke beslissing gevolg te geven, wanneer deze vatbaar is geworden voor tenuitvoerlegging, en staat het hun vrij daartegen de rechtsmiddelen aan te wenden, die in de wetgeving van de Staat waar de schade werd toegebracht zijn voorzien.
Het is denkbaar dat een ambtenaar, die optreedt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, schade toebrengt aan ambtenaren van die Staat en dat die Staat de benadeelden schadeloos stelt. Ook is het mogelijk dat die ambtenaar zaken van die Staat beschadigt.
Verder kunnen ambtenaren, die op het grondgebied van een andere Staat optreden, of hun materieel, schade lijden door toedoen van ambtenaren die behoren tot de Partij op wier grondgebied zij zich bevinden.
In al deze gevallen is het niet uitgesloten dat de Staat die de schade heeft geleden, een vordering heeft op de autoriteiten van de Partij tot wie de ambtenaar die de schade toebracht behoort. Artikel 5 bepaalt nu dat de Staten wederkerig van dergelijke vorderingen afstand doen. Deze afstand heeft uitsluitend betrekking op de vorderingen tussen de Staten en strekt zich niet uit tot vorderingen van of tegen andere openbare lichamen.
Het onderhavige Protocol derogeert niet aan de regeling welke met betrekking tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid zou voortvloeien uit een Beneluxverdrag betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Voor zover een dergelijk verdrag een van dit Protocol afwijkende regeling zou bevatten, zal dat verdrag als speciale regeling voorrang hebben boven de regeling gesteld in dit Protocol.
- Regeling
- Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-06-2006
- BWB-id
- BWBV0001006
- Versie
- 2006-06-01_0