wetzoeker

2.8.2 — Toepassing van een belastingverdrag op scheepvaartwinst uit verschillende ondernemingen Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

Toepassing van een belastingverdrag op scheepvaartwinst uit verschillende ondernemingen

Artikel 8, eerste lid, OMV 1992–2017 regelt de verdeling van de heffingsbevoegdheid over de exploitatievoordelen van schepen in het internationaal verkeer (scheepvaartartikel). Onder artikel 8 van het OMV 1992–2014 (en daarop gebaseerde belastingverdragen) zijn voordelen uit de exploitatie van schepen in het internationaal verkeer slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. Dezelfde verdeling van de heffingsbevoegdheid geldt voor de voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen onder artikel 13, derde lid, OMV 1992–2014, en daarop gebaseerde belastingverdragen (vermogenswinstartikel).

Voordelen uit de exploitatie van schepen in het internationale verkeer of uit de vervreemding van de schepen kunnen deels verkregen worden uit een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gelegen en deels uit een onderneming waarvan de leiding in een ander verdragsland is gelegen (en die aldaar aan een winstbelasting onderworpen is).

18 Zie het kennisgroepstandpunt KG:040:2024:8, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

Het Commentaar 1992–2014 op het scheepvaart- en vermogenswinstartikel bespreekt deze situatie niet. Uit de tekst van het scheepvaart- en het vermogenswinstartikel volgt evenwel dat de verdeling van de heffingsbevoegdheid beoordeeld dient te worden aan de hand van de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming. Dat betekent in dit geval dat Nederland exclusief heffingsbevoegd is over de exploitatievoordelen die toerekenbaar zijn aan de onderneming waarvan de werkelijke leiding zich in Nederland bevindt en dat het andere verdragsland exclusief heffingsbevoegd is over de exploitatievoordelen die toerekenbaar zijn aan de onderneming waarvan de werkelijke leiding in die andere staat is gelegen. Op dezelfde wijze wordt tussen beide landen de heffingsbevoegdheid over de vervreemdingsvoordelen verdeeld.

Met ingang van 21 november 2017 is de tekst van het scheepvaart- en vermogenswinstartikel in het OMV gewijzigd. Op basis van de huidige tekst van artikel 8, eerste lid, OMV 2017 en artikel 13, derde lid, OMV 2017 wordt het heffingsrecht toegewezen aan de staat waarvan de ondernemer inwoner is en niet langer op basis van de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming. In de hierboven beschreven situatie maakt dat voor de uitkomst overigens geen verschil.

Regeling
Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
20-08-2026
BWB-id
BWBR0053045
Versie
2026-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl