wetzoeker

2.6.1 — Bepaling vrij te stellen voordeel grensboer onder het verdrag met België (2001) Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

Bepaling vrij te stellen voordeel grensboer onder het verdrag met België (2001)

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en België (Trb. 2001, 136), mogen inkomsten die een inwoner van een van de staten verkrijgt uit in de andere staat gelegen onroerende goederen, in de andere staat worden belast. Daaronder worden ingevolge artikel 6, eerste lid, van het verdrag ook inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven begrepen. Op grond van artikel 6, vierde lid, van het verdrag zijn het eerste en derde lid van dit artikel ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebezigd voor de uitoefening van een zelfstandig beroep.

De vraag is opgekomen hoe voor de toepassing van artikel 6 van het verdrag de door Nederland vrij te stellen voordelen moeten worden berekend ten aanzien van in België gelegen landbouwgronden die behoren tot een onderneming van een inwoner van Nederland.

Uit artikel 7, zevende lid, van het verdrag volgt dat als in de winst inkomstenbestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van het verdrag worden behandeld, de bepalingen van die artikelen niet worden aangetast door de bepalingen van artikel 7 (winst uit onderneming). De aan artikel 7 van het verdrag ten grondslag liggende uitgangspunten voor het bepalen van het heffingsrecht over ondernemingswinsten zijn daarmee niet maatgevend voor het bepalen van de omvang van het heffingsrecht voor de inkomsten die vallen onder artikel 6 van het verdrag. Dat geldt evenzeer ingeval er sprake is van winsten die worden behaald uit een agrarische onderneming.

Het is België toegestaan om het heffingsrecht over de in België gelegen landbouwgronden te bepalen volgens de Belgische wetgeving.

Nederland is verplicht een vrijstelling te verlenen voor de inkomsten die volgens artikel 6 van het verdrag ter heffing aan België zijn toegewezen. Deze vrijstelling wordt berekend volgens de maatstaven waarnaar deze inkomsten in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken, zoals voortvloeit uit het in artikel 23, tweede lid, onderdeel b, van het verdrag opgenomen grondslagvereiste.

Naar Nederlandse maatstaven is in dit geval sprake van ondernemingswinsten. Hieraan doet niet af dat het heffingsrecht over de winsten van agrarische ondernemingen door artikel 6 van het verdrag wordt bestreken en niet door artikel 7 van het verdrag. Deze winsten worden in Nederland daarom volgens het winstbegrip van de Wet IB 2001 of de Wet Vpb 1969 in de belastingheffing betrokken. Dit betekent dat voor het bepalen van de te verlenen vrijstelling de omvang van de aan de in België gelegen landbouwgronden toe te rekenen voordelen wordt berekend op basis van het Nederlandse winstbegrip. Dit kan afwijken van de wijze waarop België de omvang van deze voordelen berekent.

Regeling
Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
20-08-2026
BWB-id
BWBR0053045
Versie
2026-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl