wetzoeker

2.5.2 — ‘Sub-vi’ is niet mogelijk Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

‘Sub-vi’ is niet mogelijk

Een in Nederland gevestigde vennootschap beschikt over een vaste inrichting in Noorwegen in de zin van het belastingverdrag met Noorwegen (Trb. 1990, 30). De Nederlandse vennootschap gaat, als verdwijnende vennootschap, vervolgens een juridische fusie aan met een in Duitsland gevestigde vennootschap. De werkzaamheden van de voorheen Nederlandse vennootschap worden na de fusie ongewijzigd voortgezet. Als gevolg hiervan beschikt de Duitse vennootschap over een in Nederland gelegen vaste inrichting in de zin van het met Duitsland gesloten belastingverdrag (Trb. 2012, 123).

De in Noorwegen gelegen vaste inrichting wordt in dat geval niet toegerekend aan de in Nederland gelegen vaste inrichting; er ontstaat dus geen zogenoemde ‘sub-vi’. Als gevolg van de juridische fusie gaat het gehele vermogen van de verdwijnende Nederlandse vennootschap, daaronder begrepen de in Noorwegen gelegen vaste inrichting, onder algemene titel over op de verkrijgende Duitse vennootschap. Na de fusie wordt de in Noorwegen gelegen vaste inrichting derhalve aan het Duitse hoofdhuis toegerekend.

Voor de volledigheid merk ik op dat ook verdragsrechtelijk geen sprake kan zijn van een in Noorwegen gelegen vaste inrichting van een in Nederland gelegen vaste inrichting in de zin van het tussen Nederland en Noorwegen gesloten belastingverdrag. Noch de in Nederland gelegen vaste inrichting noch het Duitse hoofdhuis kunnen immers worden aangemerkt als een inwoner van Nederland in de zin van het verdrag met Noorwegen, zodat dat verdrag toepassing mist.

Na de hiervoor beschreven juridische fusie sluit de toerekening van vermogensbestanddelen van het Duitse hoofdhuis aan de Noorse vaste inrichting vervolgens de toerekening aan een in Nederland gelegen vaste inrichting uit. Op basis van een functionele analyse kunnen dezelfde vermogensbestanddelen immers niet tegelijkertijd aan verschillende vaste inrichtingen worden toegerekend.

Daarnaast is, na de juridische fusie, het heffingsrecht van Nederland op grond van het met Duitsland gesloten belastingverdrag beperkt tot de winst die is toe te rekenen aan de, door middel van de alhier gelegen vaste inrichting, in Nederland uitgeoefende ondernemingsactiviteiten. Dat betekent dat winst die, na de fusie, is toe te rekenen aan de, door middel van de in Noorwegen gelegen vaste inrichting, in Noorwegen uitgeoefende ondernemingsactiviteiten, niet kunnen worden gerekend tot het Nederlandse heffingsobject.

Dit laat onverlet dat, na de fusie, sprake kan zijn van prestaties van de in Nederland gelegen vaste inrichting, zoals het verlenen van diensten, levering van zaken of het (kortstondig) ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen, ten behoeve van de in Noorwegen gelegen vaste inrichting. Dit moeten worden gezien als prestaties van de Nederlandse vaste richting jegens het Duitse hoofdhuis, waarvoor op de voet van artikel 7 van het met Duitsland gesloten belastingverdrag een zakelijke vergoeding in aanmerking dient te worden genomen, bij de toerekening van de voordelen aan de vaste inrichting.

Regeling
Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
20-08-2026
BWB-id
BWBR0053045
Versie
2026-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl