wetzoeker

2.24.1 — Buitengaatsbepaling onder het verdrag met Denemarken (1996) Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

Buitengaatsbepaling onder het verdrag met Denemarken (1996)

Wanneer een in Nederland gevestigde vennootschap in een tijdvak van twaalf maanden gedurende meer dan 30 dagen offshore-werkzaamheden verricht in Denemarken, dan kwalificeren die werkzaamheden als een (fictieve) vaste inrichting in de zin van artikel 24, derde lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en Denemarken uit 1996

50 Trb. 1996, 210 en Trb. 1996, 276, laatstelijk gewijzigd bij Trb. 2018, 61 en Trb. 2018, 161.

(de zogenoemde buitengaatsbepaling). Op grond van artikel 24, negende lid, in samenhang gelezen met artikel 23, tweede lid, van het verdrag stelt Nederland deze winst vrij op voorwaarde dat aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat daarover in Denemarken belasting is betaald.

Aan de voorwaarde van artikel 24, negende lid van het verdrag (met name de zinsnede ‘dat in Denemarken belasting is betaald’) is ook voldaan wanneer over de winst van de vaste inrichting geen belasting is verschuldigd als gevolg van een verplichte consolidatie in Denemarken, waarbij positieve resultaten van de vaste inrichting worden geconsolideerd met negatieve resultaten van Deense groepsvennootschappen.

51 Zie het kennisgroepstandpunt KG:040:2024:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.

De eis inzake het overleggen van schriftelijk bewijs van betaling van belasting in het andere land houdt verband met het feit dat bij werkzaamheden buitengaats een groter risico bestaat dat belasting wordt ontgaan dan bij werkzaamheden op het vasteland.

52 In de toelichtende nota bij het verdrag met Denemarken wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 25, zevende lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en Zweden (Trb. 1991, 108 en Trb. 1992, 20) dat een vergelijkbare bepaling bevat inzake het overleggen van schriftelijk bewijs van betaling van belasting in het andere land. Zie Kamerstukken 1991/92, 22 643, nr. 291 en 1, p. 12.

Een dergelijk risico doet zich evenwel niet voor wanneer krachtens het Deense recht de belastingheffing plaatsvindt op basis van een verplichte consolidatie, en verder vaststaat dat de voordelen van de vaste inrichting in Denemarken op reguliere wijze aan de heffing van vennootschapsbelasting worden onderworpen. Dat laatste houdt in dat de belastingheffing in Denemarken over de voordelen behaald met de activiteiten buitengaats niet in begunstigende zin afwijkt van de belastingheffing over andere voordelen uit onderneming.

Regeling
Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
20-08-2026
BWB-id
BWBR0053045
Versie
2026-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl