wetzoeker

2.23.1 — Tax Sparing Credit en geïmputeerde rente Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

Tax Sparing Credit en geïmputeerde rente

In artikel 23, derde lid en vierde lid, onderdeel b, van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië (Trb. 1990, 67) is een zogenoemde tax sparing credit opgenomen op grond waarvan in bepaalde gevallen meer bronbelasting kan worden verrekend dan feitelijk is geheven.

De vraag is opgekomen of ook recht bestaat op deze tax sparing credit in de situatie waarin een Nederlandse vennootschap een lening heeft verstrekt aan een gelieerde Braziliaanse vennootschap waarbij geen rentevergoeding is overeengekomen en de schuldenaar ook op een later moment geen rente heeft betaald of verschuldigd is geworden. Op basis van het at arm’s length-beginsel wordt in Nederland in die situatie een zakelijke rente tot de fiscale winst van de Nederlandse vennootschap gerekend. In de praktijk is gebleken dat in Brazilië in die situatie niet een zodanige winstcorrectie bij de schuldenaar plaatsvindt. Er wordt ook, mitsdien, in Brazilië geen belasting geheven ten laste van de Nederlandse vennootschap over de niet-betaalde rente.

Voor de genoemde tax sparing credit is vereist dat sprake is van interest die op basis van artikel 11, tweede lid, van het verdrag in Brazilië mag worden belast. Dat tweede lid ziet op interest die wordt betaald aan de, in dit geval, in Nederland gevestigde crediteur. Hoewel het begrip ‘betaald’ volgens het Commentaar bij artikel 11 OMV een ruime betekenis heeft, is wel ten minste vereist dat er sprake is van het voldoen van een verplichting van de debiteur om middelen aan de crediteur ter beschikking te stellen. Nu deze verplichting ontbreekt in dit geval, is er geen sprake van rente die is betaald in de zin van het verdragsartikel. Het feit dat in Nederland op basis van het at arm’s length-beginsel voor belastingdoeleinden een zakelijke interest bij de crediteur in aanmerking wordt genomen, doet aan het ontbreken van deze verplichting niet af. Voor de goede orde merk ik hierbij op dat Brazilië weliswaar geen lid is van de OESO, maar dat uit de door Brazilië ingenomen posities met betrekking tot het Commentaar bij artikel 11 OMV niet blijkt dat Brazilië op dit punt een andere uitleg van het interestartikel voorstaat.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het verlenen van een tax sparing credit in deze situatie ook niet in overeenstemming is met doel en strekking van de in artikel 23, vierde lid, van het verdrag opgenomen regeling. Doel en strekking is namelijk het voorkomen dat als een land ter bevordering van buitenlandse investeringen uit eigen beweging zijn bronbelasting verder matigt dan op grond van het verdrag is geboden, het effect daarvan via het verrekeningsmechanisme verloren gaat door een bijheffing van Nederlandse belasting. Een zodanige matiging van de op basis van het verdrag toegestane heffing van (bron)belasting is in deze situatie niet aan de orde vanwege het ontbreken van een interestbetaling.

Volledigheidshalve merk ik nog op dat in de geschetste situatie van een niet-rentedragende vordering, de door Nederland op basis van het at arm’s lengthbeginsel in aanmerking genomen rentebate niet wordt meegenomen in de berekening van de tweede limiet (van in dit geval artikel 23, derde lid, van het verdrag), en dus niet bepalend is voor de verrekeningsruimte ten aanzien van overige door Brazilië geheven bronbelasting. De verrekening van bronbelasting wordt begrensd door de Nederlandse belasting die naar rato geheven wordt over het inkomen waarover door Brazilië ook (bron-) belasting is of mag worden geheven. Met de Nederlandse belasting wordt dan bedoeld, gelet op artikel 23, derde lid, van het verdrag, de belasting die wordt geheven over de in de Nederlandse heffingsgrondslag begrepen bestanddelen van het inkomen waarover, in dit geval, Brazilië ook mag heffen (progressievoorbehoud). Aangezien Brazilië geen heffingsrecht heeft over interest die niet wordt betaald, behoort de door Nederland geïmputeerde interest niet tot deze grondslag. Het progressievoorbehoud ziet met andere woorden op de bevoegdheid van Nederland, als woonland, belasting te mogen heffen over het inkomen waarover Brazilië (als bronland) ook een heffingsrecht toekomt.

Regeling
Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
20-08-2026
BWB-id
BWBR0053045
Versie
2026-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl