2.1.1 — Verdragstoepassing bij een hybride entiteit onder het verdrag met de Verenigde Staten (1993) Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Verdragstoepassing bij een hybride entiteit onder het verdrag met de Verenigde Staten (1993)
Op grond van artikel 1, eerste lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1993, 77, en Trb. 2004, 166) is dit verdrag van toepassing op personen die inwoner zijn van één van de staten of van beide staten, tenzij in het verdrag anders is bepaald. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het verdrag wordt onder een inwoner van een van de staten verstaan iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid.
Door verschillen in de wetgeving van beide staten kan een verschil ontstaan tussen de fiscale kwalificatie die Nederland aan een bepaalde entiteit geeft en de fiscale kwalificatie vanuit het oogpunt van de Verenigde Staten (hierna: VS). In dat geval is sprake van een zogenoemde hybride entiteit waarop artikel 24, vierde lid, van het verdrag betrekking heeft.
Volgens artikel 24, vierde lid, van het verdrag wordt een bestanddeel van het inkomen, de winst of een voordeel verkregen door een persoon dat fiscaal transparant is krachtens het recht van een van beide staten (een hybride entiteit) geacht te zijn verkregen door een inwoner van een staat voor zover dat bestanddeel voor de toepassing van het belastingrecht van die staat wordt behandeld als het inkomen, de winst of het voordeel van een inwoner.
Dit betekent dat wanneer een hybride entiteit – die door Nederland als fiscaal niet-transparant wordt aangemerkt en door de VS als fiscaal transparant wordt beschouwd – dividenden ontvangt van een Nederlandse vennootschap, deze dividenden voor verdragstoepassing geacht worden te zijn verkregen door een inwoner van de VS voor zover dit inkomensbestanddeel in de VS wordt belast bij die inwoner. Ingeval de achterliggende participant van de hybride entiteit een natuurlijke persoon tevens inwoner van de VS is, dan geldt ten aanzien van hem het verdragstarief van 15% (artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van het verdrag). Ingeval de achterliggende participant van de hybride entiteit een lichaam tevens inwoner van de VS is, dan is het verlaagde verdragstarief van 5% van toepassing voor zover dit lichaam bij rechtstreekse deelname in de Nederlandse vennootschap zou voldoen aan alle daarvoor geldende voorwaarden (artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van het verdrag).
7 Zie in dit verband ook de voorbeelden over de toepassing van artikel 24, vierde lid, van het verdrag, die zijn opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot ratificatie van het in 2004 gesloten wijzigingsprotocol bij het verdrag (Kamerstukken II, 2003/04, 29 632, nr. 3, p. 29, onderaan, en p. 30), en de voorbeelden gegeven in de technical explanation van het U.S. Department of Treasury bij dat protocol. De technical explanation is een door het Department of Treasury opgestelde toelichting bij het Verdrag (https://www.irs.gov/businesses/international-businesses/netherlands-tax-treaty-documents).
Voorgaande uitleg geldt eveneens voor andere belastingverdragen waarin vergelijkbare bepalingen als artikel 24, vierde lid, van het verdrag met de VS opgenomen zijn of van toepassing zijn als gevolg van de doorwerking van het MLI naar deze verdragen. Dit is in overeenstemming is met het Commentaar bij de artikelen 1 en 10 van het OMV (dat sinds 2017 een bepaling bevat die ziet op de verdragstoepassing bij hybride entiteiten) en het zogenoemde partnershipreport
8 Het rapport ‘The Application of the OECD Model Tax Convention to partnerships’ (1999) is opgenomen in Volume II van de zogenoemde full version van het OMV vanaf pagina R(15)-1, en is te raadplegen op de website van de OESO.
van de OESO waarnaar dat Commentaar verwijst.
Voor de volledigheid wijs ik in dit verband ook op het Beleidsbesluit hybride-entiteitenbepalingen (Stcrt. 2022, 32363). Dit besluit verduidelijkt voor een specifieke casuspositie de toepassing van artikel 4, negende lid, Wet DB 1965, en artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, gelezen in samenhang met het vierde lid, onderdeel a, van de Wet BB 2021 in lijn met de uitleg van artikel 24, vierde lid, van het verdrag met de VS (of daarmee inhoudelijk overeenkomende verdragsbepalingen).
In de praktijk komen vaak structuren voor die bestaan uit een keten van entiteiten, waaronder een of meer hybride entiteiten. In zulke situaties moet elke entiteit op eigen merites worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen die in dat geval dan van toepassing zijn.
- Regeling
- Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 20-08-2026
- BWB-id
- BWBR0053045
- Versie
- 2026-08-20_0