wetzoeker

2.11.3 — Begrip ‘onderneming’ in artikel 11, derde lid, van het verdrag met België (2001) Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026

Begrip ‘onderneming’ in artikel 11, derde lid, van het verdrag met België (2001)

Op grond van artikel 11, tweede lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en België uit 2001 (Trb. 2001, 136) mogen interestinkomsten ook in de bronstaat worden belast overeenkomstig de wetgeving van die staat, maar ten hoogste tegen een tarief van 10% van het brutobedrag van die inkomsten. Ingevolge artikel 11, het derde lid, onderdeel a, van het verdrag mag interest echter niet in de bronstaat worden belast als de uiteindelijk gerechtigde tot die interest een onderneming van de andere verdragsluitende staat is en het niet gaat om interest van door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen of gelddeposito’s.

Over wat onder ‘onderneming’ als bedoeld in artikel 11, derde lid, onderdeel a, van het verdrag moet worden verstaan, wordt het volgende opgemerkt.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van het verdrag bepaalt dat de uitdrukking ‘onderneming van een verdragsluitende staat’ betekent een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat. Deze bepaling is in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, onderdeel d, OMV.

In het Commentaar bij artikel 3 OMV wordt over het begrip ‘onderneming’ (‘enterprise’) opgemerkt dat dit steeds is uitgelegd conform de nationaalrechtelijke bepalingen van de verdragsluitende staten, en dat dit begrip in ieder geval omvat ’the performance of professional services or other activities of an independent character’.

29 Zie punt 4 van het Commentaar bij artikel 3. Dit komt ook tot uitdrukking in de tekst van artikel 3, eerste lid, onderdeel c, OMV.

Dat laatste is in het verdrag met België – in afwijking van het OMV – geregeld in een apart verdragsartikel inzake zelfstandige beroepen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het verdrag met België zijn (onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 16, paragrafen 2, 3 en 4) inkomsten verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard slechts in die staat belastbaar, tenzij die inwoner in de andere verdragsluitende staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vaste basis beschikt. Artikel 14, tweede lid, van het verdrag met België bevat een omschrijving van de uitdrukking ‘vrij beroep’.

Voor het overige geldt met betrekking tot het begrip ‘onderneming’ – mede gelet op de uitlegbepaling van artikel 3, tweede lid, van het verdrag – dat naar Nederlands recht geen sprake is van een onderneming in de zin van het verdrag als de activiteiten niet worden verricht met het oog op het verkrijgen van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht.

Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat indien sprake is van verbonden ondernemingen onder voorwaarden een beroep kan worden gedaan op de rente- en royalty richtlijn.

30 Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty’s tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (Pb EG 2003, L 157).

Regeling
Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
20-08-2026
BWB-id
BWBR0053045
Versie
2026-08-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl