3.1.3 — Overige uitgangspunten (deel 1) Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Humanitaire hulp 2027–2031)
Overige uitgangspunten
Hulpverlening die wordt uitgevoerd met behulp van de onder dit subsidiebeleidskader verkregen subsidiemiddelen geschiedt ook in overeenstemming met de volgende uitgangspunten:
a. Veiligheid en psychosociaal welzijn van hulpverleners
Humanitaire hulpverleners opereren vaak in de meest complexe, instabiele en/of risicovolle contexten ter wereld en spelen een essentiële rol bij het verlenen van levensreddende hulp aan getroffen bevolkingsgroepen. Het aantal incidenten waarbij hulpverleners worden getroffen door geweld, intimidatie of belemmeringen neemt toe. Het merendeel van deze hulpverleners bestaat uit lokale krachten en/of vrijwilligers die hun eigen gemeenschappen ondersteunen, daardoor komen eerdergenoemde risico’s onevenredig vaak bij hen terecht. Hulpverleners zijn beschermd onder het humanitair oorlogsrecht (HOR). Zij moeten hun werk veilig kunnen doen. Hiertoe dient veiligheid goed geborgd te zijn. Veiligheidsmaatregelen dienen in nauw overleg te worden vormgegeven met diegenen die de grootste risico’s lopen. Deze maatregelen en hun budgettaire consequenties kunnen sterk verschillen per respons. Veiligheid mag geen sluitpost zijn op de begroting. Om die reden mogen veiligheidsmaatregelen evenals de kosten voor risicodeling als directe kosten worden opgenomen in de begroting.
Per financieringskanaal geldt daarbij het volgende:
– Kanaal a: kosten voor veiligheidsmaatregelen worden opgenomen in sheet 1 van het Budgetmodel voor kanaal a (zie Annex 1.1) onder post II.G. Protection of Aid Workers.
– Kanaal b: kosten voor veiligheidsmaatregelen worden gecombineerd met de kosten voor risicodeling opgenomen in sheet 1 van het Budgetmodel voor kanaal b (zie Annex 1.2) onder post II.G. Duty of Care.
Flexibiliteit die het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan subsidieontvangers biedt om snel te kunnen inspelen op veranderende veiligheidsomstandigheden, dient ook aan lokale uitvoerders te worden geboden. Van subsidieontvangers wordt verwacht dat zij in hun aanvraag helder maken op welke wijze veiligheidsmanagement in een respons wordt ingericht, bovendien zodanig, dat lokale uitvoerders hier hun invloed kunnen doen gelden.
Behalve met risico’s voor hun fysieke veiligheid, hebben hulpverleners – en hun familie – ook te maken met een aantasting van hun mentale en emotionele veiligheid. Geestelijk en psychosociaal welzijn zijn van direct belang voor het vermogen van eerstehulpverleners om hun werk te blijven volhouden en hun familie te blijven overtuigen van het belang dat zij dit werk doen. Subsidieaanvragers dienen dan ook in hun aanvraag te benoemen hoe wordt voorzien in niet alleen fysieke, maar ook psychosociale personeelszorg.
b. Lokaal geleid werken en gelijkwaardige partnerschappen
Lokaal geleid werken is een continu proces waarin diverse lokale actoren binnen een bepaalde lokale context zelfstandig vormgeven aan alle aspecten van ontwikkelingsbeleid en -programma’s (kaderbepaling, ontwerp, uitvoering, leerprocessen en verantwoording).
7 De Inter-Agency Standing Committee (IASC)-definitie van het begrip lokale partners is leidend in het vaststellen of een organisatie lokaal en/of nationaal is, https://interagencystandingcommittee.org/sites/default/files/migrated/201801/hftt localisation_marker_definitions_paper_24_january_2018.pdf
. Het streven is om financiering van, besluitvorming over en verantwoordelijkheid voor humanitaire activiteiten in toenemende mate te leggen bij lokale en nationale actoren, of de netwerken die hen vertegenwoordigen, om zo de effectiviteit, relevantie en duurzaamheid van humanitaire hulp te vergroten.
Hiertoe behoort zowel de gezamenlijke planning van en besluitvorming over interventies, als het beschikbaar stellen van financiering aan lokale organisaties. Het percentage van het jaarlijks vastgestelde programmabudget dat wordt aangewend voor hulpverlening door lokale partners, dient gedurende de looptijd van het subsidietijdvak geleidelijk toe te nemen tot minimaal 50% in het laatste jaar van het subsidietijdvak (2031).
c. Innovatie en leren
Innovatie en leren richt zich op het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van humanitaire hulp: vernieuwende werkwijzen als vervanging van de traditionele ‘in natura’ hulp, gebruik van nieuwe technologieën, en nieuwe manieren van organisatie van de hulpverlening. De focus van innovatie binnen dit subsidiebeleidskader ligt op:
– Het aanreiken van oplossingen die werken in een crisissituatie en die snel en efficiënt kunnen worden opgeschaald.
– Anticipatieve humanitaire hulp en financiering, mede door gebruik van voorspellende data.
– Verbetering van de lokale en internationale coördinatie van humanitaire hulp, o.a. door versterkt leiderschap en effectievere coördinatiestructuren;
– Verbetering van transparantie en verantwoording naar slachtoffers van crisis, donoren en het publiek;
– Uitbreiding en versterking van de betrokkenheid van slachtoffers bij het bepalen van de noden en de invulling van de hulp;
– Het ontwikkelen, testen en opschalen van innovatieve financieringsinitiatieven, waaronder (maar niet beperkt tot) blended finance en humanitaire verzekeringsmechanismen.
– Het aanreiken van innovatieve oplossingen voor de bescherming en veiligheid van humanitaire hulpverleners.
d. Accountability: Transparantie en Participatie
Accountability betreft verantwoording, ook ter verhoging van het draagvlak voor Humanitaire hulp, op basis van aantoonbaar behaalde resultaten, naar zowel de Nederlandse bevolking, overheden, als lokale gemeenschappen, mede (waar mogelijk) door rapportage via open data (IATI). Participatie gaat over het verbeteren van de participatie van de slachtoffers van een humanitaire crisis in de planning, monitoring en evaluatie van de hulpverlening. Tenslotte staat ook het versterken van mechanismen ter detectie en voorkoming van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, alsmede bescherming van getroffen individuen, centraal.
e. Gender- en leeftijdssensitiviteit
Gender- en leeftijdssensitiviteit zijn dwarsdoorsnijdende thema’s in dit subsidiebeleidskader. Ze beogen gelijke rechten, kansen en uitkomsten voor vrouwen, mannen, meisjes en jongens. Het gaat in al deze gevallen om het recht van eenieder op gelijkwaardige participatie in de samenleving, op sociaal, economisch en politiek terrein. Hiertoe moet een samenleving voor iedereen gelijke toegang tot goederen, kansen, hulpmiddelen en beloningen mogelijk maken. Dit betekent niet dat er geen verschillen bestaan tussen individuen, maar wel dat elk individu gelijke kansen en rechten heeft en deze kan gebruiken, ongeacht sekse, seksuele geaardheid, (verminderde) fysieke capaciteiten, etniciteit, vermogen, familie, leeftijd of sociale positie. Soms zijn specifieke maatregelen nodig of moet zeker gesteld zijn dat geplande interventies geen negatieve gevolgen hebben. Daarom is het belangrijk dat er expliciet aandacht worden gegeven aan de specifieke positie van vrouwen, meisjes en jongeren in het algemeen, onafhankelijk van het thema of de doelgroep. Leidend zijn hierbij het humanitair imperatief en de humanitaire principes.
f. Effectiviteit
Een geïntegreerde en lokaal gestuurde humanitaire respons, die aanvullend is op en aansluit bij de capaciteiten en initiatieven van gemeenschappen zelf, leidt tot effectievere hulpverlening. Ook een verhoogde inzet van lokale middelen door de subsidieontvangers en betere aansluiting op de meer ontwikkelingsgerichte programma’s op de lange termijn, vergroten de duurzaamheid van de interventie.
- Regeling
- Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Humanitaire hulp 2027–2031)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 07-08-2026
- BWB-id
- BWBR0052967
- Versie
- 2026-08-07_0