3.9 — Toerekeningsregel Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026
Toerekeningsregel
Voor vennootschappelijke moeder-/dochterverhoudingen is in artikel 35c, vijfde lid, Successiewetde zogenoemde toerekeningsregel opgenomen. Door deze toerekeningsregel wordt de houdstervennootschap geacht de onderneming van de werkmaatschappij te drijven. Bij meerdere werkmaatschappijen worden de bezittingen en schulden van alle werkmaatschappijen waarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toerekeningsregel, gezamenlijk aan de houdstervennootschap toegerekend. Eén van de voorwaarden voor deze toerekening is dat de erflater of schenker een indirect aanmerkelijk belang of een verwaterd belang in de werkmaatschappij moet hebben. Als de houdstervennootschap (direct of indirect) gewone aandelen van de werkmaatschappij houdt, vindt de toerekening plaats met inachtneming van de omvang van het belang van deze aandelen.
Bij bijvoorbeeld tracking stocks
5 Onder tracking stocks wordt hier verstaan aandelen die een bijzondere gerechtigdheid kennen met betrekking tot de voordelen uit een of meerdere bezittingen of activiteiten van een vennootschap. Bij een tracking stock gaat het om de economische voordelen en dus niet om bijvoorbeeld het kunnen uitbrengen van stemrechten ten aanzien van bezittingen of activiteiten.
is van een dergelijk belang alleen sprake als erflater of schenker een economisch belang in de werkmaatschappij heeft. Alleen dan kan sprake zijn van een indirect aanmerkelijk belang in die werkmaatschappij. Zie voor een nadere toelichting onderdeel 6.2.5 Verzamelbesluit AB 2025. Als de houdstervennootschap (direct of indirect) soortaandelen van de werkmaatschappij houdt, vindt de toerekening van de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij plaats met inachtneming van de waarde van deze aandelen.
6 Zie voorbeeld 3 in Kamerstukken II, 2008–2009, 31 930, nr. 9, p. 101 en voorbeeld 1 in Kamerstukken II, 2024–2025, 36 610, nr. 3, p. 14–15.
Voorbeeld 1
De erflater laat 5% van de aandelen in een houdstervennootschap na. De houdstervennootschap heeft 100% van de aandelen in A BV, die een onderneming drijft. De houdstervennootschap heeft ook 100% van de aandelen in B BV. B BV drijft geen materiële onderneming, maar bezit het bedrijfspand dat wordt verhuurd aan de werkmaatschappij A BV en waarin deze haar onderneming uitoefent.
Door de gezamenlijke toerekening wordt het bedrijfspand dat wordt verhuurd aan de werkmaatschappij aangemerkt als ondernemingsvermogen.
Voorbeeld 2
De erflater hield soortaandelen X en een derde houdt soortaandelen Y in houdstervennootschap Holding BV. Holding BV houdt alle aandelen in werkmaatschappij X BV en werkmaatschappij Y BV, die elk een onderneming drijven. De soortaandelen X geven recht op alle winsten en waardeontwikkelingen van X BV. De soortaandelen Y geven recht op alle winsten en waardeontwikkelingen van Y BV. De winsten en waardeontwikkelingen van Holding BV, die resteren na deze verdeling, worden bij helfte verdeeld over de soortaandelen X en Y. Deze soortaandelen zijn tracking stocks. Erflater had vanwege de gerechtigdheid van de soortaandelen X geen economisch belang in Y BV. Omdat de erflater alleen een indirect aanmerkelijk belang in X BV had, worden alleen de bezittingen en schulden van X BV aan Holding BV toegerekend. Aan de hand van deze toerekening wordt bepaald of de erfgenamen van X beroep kunnen doen op de BOR.
Bezits- en voortzettingsperiode
De toerekeningsregel is niet alleen relevant ten tijde van de verkrijging van de aandelen van de houdstervennootschap, maar ook tijdens de bezits- en voortzettingsperiode. Neemt tijdens de bezitsperiode het belang van de houdstervennootschap in de onderneming van de werkmaatschappij toe, dan vangt in zoverre een nieuwe bezitsperiode aan. Deze toename kan het gevolg zijn van bijvoorbeeld aankoop van aandelen in de werkmaatschappij, uitgifte van nieuwe aandelen door de werkmaatschappij, inkoop van bestaande aandelen door de werkmaatschappij bij een ander, herstructurering van het concern
7 Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:137.
of omvorming van de indirect gehouden aandelen. Door deze toename zullen meer bezittingen en schulden van de onderneming van de werkmaatschappij aan de houdstervennootschap worden toegerekend.
Neemt tijdens de voortzettingsperiode het belang van de houdstervennootschap in de onderneming van de werkmaatschappij af, dan zullen er minder bezittingen en schulden van die onderneming worden toegerekend aan de houdstervennootschap. Door deze afname kan sprake zijn van (deels) ophouden winst te genieten en vervalt (in zoverre) de BOR-vrijstelling. Deze afname kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van verkoop, uitgifte, inkoop en omvorming van indirect gehouden aandelen of herstructurering van het concern.
Ik merk op dat het niet uitmaakt of er een vervangingsvoornemen is, dan wel een herinvestering is gedaan. Uitgangspunt van de BOR is immers dat de overgedragen onderneming ten minste drie jaren wordt voortgezet. Dit betekent dat gedurende drie jaren het belang van de houdstervennootschap in de werkmaatschappij niet mag afnemen en de werkmaatschappij haar onderneming drie jaar moet voortzetten.
In de artikelen 9 en 10 Uitvoeringsregeling zijn voor bepaalde situaties tegemoetkomingen voor de bezits- en voortzettingseis opgenomen. Tevens is in artikel 10, vierde lid, Uitvoeringsregeling opgenomen dat na een gebeurtenis in de voortzettingsperiode, waarop de tegemoetkoming in artikel 10, eerste, tweede of derde lid, Uitvoeringsregeling is toegepast, artikel 35e Successiewet volledig van toepassing is op de alsdan ontstane situatie. Met ingang van 1 januari 2026 is in dat lid ook opgenomen dat daarbij in afwijking van het bepaalde in artikel 35c, vijfde lid, Successiewet wordt beoordeeld of de verkrijger in plaats van de erflater of schenker in de nieuwe situatie aan de voorwaarden van de toerekeningsregel blijft voldoen.
- Regeling
- Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 23-05-2026
- BWB-id
- BWBR0052644
- Versie
- 2026-05-23_0