wetzoeker

1 — Inleiding Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie

Inleiding

Het openbaar ministerie heeft op grond van artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het gezag over de opsporing. Dit betekent dat de wettelijk geregelde opsporingsbevoegdheden in de meeste gevallen uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel of vordering van de officier van justitie. Bij een aantal opsporingsbevoegdheden is bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vereist alvorens een bevel kan worden gegeven of een vordering kan worden gedaan.

Voor de toepassing van een aantal ingrijpende opsporingsbevoegdheden is de voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal vereist. Het College wordt hierover geadviseerd door de CTC. Deze procedure dient ook in een aantal andere specifieke gevallen gevolgd te worden (zie paragraaf 3). In deze aanwijzing wordt de (verplichte) procedure bij de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal beschreven.

Regeling
Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-05-2026
BWB-id
BWBR0052602
Versie
2026-05-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl