wetzoeker

7.3 — Wettelijke termijn voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum na het jaar van de AOW-gerechtigde leeftijd Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen

Wettelijke termijn voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum na het jaar van de AOW-gerechtigde leeftijd

Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, Invoeringswet Wet IB 2001 is artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing op Brede Herwaarderingslijfrenten. Artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt binnen welke termijn een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen. Dit is een wettelijke bedenkperiode voor de belastingplichtige om na de contractueel overeengekomen einddatum van zijn lijfrenteaanspraak de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak.

Wijziging per 1 januari 2026

Met ingang van 1 januari 2026 is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 gewijzigd. Voor de uiterste datum bij leven wordt niet langer uitgegaan van de contractueel overeengekomen einddatum, maar van het uiterste tijdstip waarop de lijfrentetermijnen moeten worden uitgekeerd. De lijfrentetermijnen moeten uiterlijk worden uitgekeerd in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De bedenkperiode bij leven eindigt daarom uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin deze leeftijd is bereikt. Bij overlijden eindigt de bedenkperiode uiterlijk op 31 december volgend op het tweede kalenderjaar.

Situatie bij contractuele einddatum ná AOW-leeftijd + 5 jaar

Voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum ná het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is in onderdeel 7.2 goedgekeurd dat deze mogen worden uitgevoerd zoals civielrechtelijk overeengekomen.

De gewijzigde tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 per 1 januari 2026 is echter niet toepasbaar op Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Deze situatie is niet voorzien in de wet. Daarom keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat op lijfrenteaanspraken met een contractuele einddatum gelegen ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 van toepassing blijft. In afwijking van dit artikel geldt daarbij dat de lijfrenteaanspraak wordt geacht te zijn afgekocht op de eerste dag direct volgend op de in dit artikel aangeduide uiterste datum. Deze datum geldt dus zowel voor de situatie bij leven als bij overlijden. Dit betekent dat het afkoopmoment zowel bij leven als overlijden 1 januari is na de respectievelijke bedenktijd bij leven of overlijden.

Voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum gelegen op of vóór 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 2026 van toepassing.

Regeling
Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
14-04-2026
BWB-id
BWBR0052535
Versie
2026-04-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl