wetzoeker

4.4 — Toedeling lijfrenterekening in het kader van de verdeling huwelijksgemeenschap na overlijden Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen

Toedeling lijfrenterekening in het kader van de verdeling huwelijksgemeenschap na overlijden

Een rekeninghouder van een lijfrenterekening komt te overlijden. Omdat er zowel een testament als een huwelijksgemeenschap is, zal voor het bepalen van de nalatenschap eerst de huwelijksgemeenschap worden afgehandeld. De gemeenschap moet in principe worden verdeeld tussen de langstlevende partner en de erfgenamen naar de gerechtigdheid van de langstlevende partner tot de huwelijksgemeenschap. Een lijfrenterekening kan echter bij de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap volledig aan de langstlevende partner worden toebedeeld. Dit betekent dat een deel van de aanspraak wordt vervreemd aan de langstlevende partner.

Het vervreemden van een aanspraak op periodieke uitkeringen leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001). De wetgever heeft een uitzondering gemaakt als de vervreemding plaatsvindt aan de (ex-) echtgenoot in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding of bij een scheiding van tafel en bed (artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001). De wetgever heeft het wenselijk geacht om de vervreemding van een aanspraak op een inkomensvoorziening bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap voor de inkomstenbelasting geruisloos te laten plaatsvinden.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap in het kader van overlijden is niet als uitzondering opgenomen in artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001. Bij een lijfrenteverzekering zijn de begunstigden over het algemeen in de polis aangewezen. De aanspraak op periodieke uitkeringen ontstaat dan op grond van de verzekering. Als de overgebleven echtgenoot in de polis is aangewezen als nabestaande, dan is er geen sprake van vervreemding.

In dit licht heeft de wetgever het kennelijk niet nodig geacht om voor lijfrenteverzekeringen een uitzondering te maken voor de verdeling van een huwelijksgemeenschap in het kader van overlijden. Artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 is echter in werking getreden jaren voordat de lijfrenterekening en het lijfrentebeleggingsrecht zijn ingevoerd.

Tegen deze achtergrond acht ik het onwenselijk dat de langstlevende echtgenoot die via de verdeling van de huwelijksgemeenschap een tegoed op een lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht krijgt toegewezen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking moet nemen. Daarnaast acht ik het verschil in behandeling tussen een lijfrenteverzekering en lijfrenterekening in dit soort situaties niet gewenst. Daarom keur ik onder een voorwaarde het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de uitzondering van artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 ook van toepassing is als de vervreemding van een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen plaatsvindt in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij overlijden van de lijfrenterekeninghouder.

Voorwaarde

De erfgenamen moeten met de verdeling instemmen en zij moeten gecompenseerd worden voor de waarde van de aanspraak.

Regeling
Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
14-04-2026
BWB-id
BWBR0052535
Versie
2026-04-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl