wetzoeker

6.7.3 — Afweging Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord)

Afweging

Luchtverkeersgebieden

De eisen om voldoende separatie aan te houden vloeien voort uit de hierboven genoemde wet- en regelgeving. Bij een maximale tiphoogte van 251 meter blijft er genoeg laterale en verticale separatie over ten opzichte van luchtvaartuigen als er op de normale minimale vlieghoogte van 2000 voet (ca. 609 meter) wordt gevlogen; gegeven een separatieafstand van 1.000 voet (ca. 304 meter). LVNL heeft aangegeven dat geen invloed op de vertrek- en naderingsprocedures van Schiphol te verwachten valt. Daarom worden er op basis van die verwachting nu geen nadere voorzieningen getroffen. Op basis van eventuele latere verwachtingen kan dit wijzigen.

Communicatie-, navigatie- of surveillanceapparatuur

LVNL heeft aangegeven dat geen verstoring van de CNS-apparatuur te verwachten valt. Daarom worden er op basis van die verwachting nu geen nadere voorzieningen getroffen. Op basis van eventuele latere verwachtingen kan dit wijzigen.

Helicopter Main Routes

Indien met helikopters op de HMR KY660 en KY667 gevlogen moet kunnen worden op 1.500 voet (457 meter) in verband met ice-ing condities, wordt deze vereiste separatieafstand niet gehaald. In dat geval zijn er maatregelen nodig. In de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 is een aantal acties opgenomen ten behoeve van de inpassing van windparken op zee in relatie tot de veilige en operationele luchtzijdige bereikbaarheid van mijnbouwinstallaties per helikopter. Dit betreft onder andere het zo nodig aanpassen van HMR. Daarbij is aangegeven dat mocht het toekomstige windpark consequenties hebben voor de ondergrens van de vliegzone, deze zal worden verschoven naar 1.000 voet boven de tiphoogte van de windmolens en dat nader zal worden onderzocht of een verplaatsing mogelijk is en of aanvullende maatregelen nodig zijn.

Voor de realisatie van het windpark in windenergiegebied Hollandse Kust (noord) zal de ondergrens van de HMR voor IFR gebruik binnen 8 km van de windturbines moeten worden verhoogd van 1.500 voet boven het zeeniveau naar 1.000 voet boven het hoogste punt van de windturbine of moeten de KY660 en KY667 worden verlegd omwille van het kunnen of moeten vliegen onder ice-ing condities. Dit vormt geen onderdeel van het kavelbesluit maar moet wel plaatsvinden voordat het windpark gebouwd wordt.

Helicopter Traffic Zones

Uit het onderzoek naar de toepasbaarheid van een segmentbenadering voor de helikopterbereikbaarheid blijkt dat andere naderings- en vertrekprocedures in principe haalbaar en uitvoerbaar zijn voor platform Q04-C en Halfweg. De bereikbaarheid van de mijnbouwplatforms neemt echter wel iets af door de aanwezigheid van een windpark in kavel V. De afname van de bereikbaarheid van de platforms, het aantal vluchten per jaar dat op de platforms wordt uitgevoerd en het belang van het realiseren van het windpark in windenergiegebied Hollandse Kust (noord) in overweging nemende, acht het bevoegd gezag de gevolgen voor de bedrijfsvoering van de mijnbouwoperators aanvaardbaar.

Gezien de levensduur van de aardgasvelden en na overleg en afstemming met de operator is geconcludeerd dat bij het ontwerp van de kavel geen rekening gehouden hoeft te worden met platforms Q04-A en Q04-B. De gevolgen voor de gemiddelde bereikbaarheid met windpark, inclusief segmentbenadering voor Halfweg zijn zeer beperkt. Indien een veiligheidszone van 2,5 nautische mijl wordt aangehouden valt de HTZ van Halfweg buiten de grenzen van het windpark.

Met platform Q04-C is bij de verkaveling rekening gehouden door het bovenste deel van het windenergiegebied Hollandse Kust (noord) vrij te houden, zodat de bereikbaarheid van het platform voor helikopterverkeer ook tijdens de exploitatie van het windpark gegarandeerd blijft.

Het onderzoek naar de toepasbaarheid van een segmentbenadering voor de helikopterbereikbaarheid van mijnbouwplatforms toont aan dat andere naderings- en vertrekprocedures in principe haalbaar en uitvoerbaar zijn. Voor het daadwerkelijk kunnen toepassen van die procedures zal in het vervolgproces via een zogeheten ‘flight operational safety assessment’ goedkeuring moeten worden verkregen. Daarbij zal per platform en op basis van de uiteindelijke situatie gekeken moeten worden naar de praktische vluchtuitvoering. De uiteindelijke locaties van individuele windturbines in het windpark spelen hierbij ook een rol. Omdat die locaties nu nog niet bekend zijn, wordt dit gedaan als dat wel het geval is. Zo kunnen alle relevante en feitelijke aspecten in deze ‘assessment’ worden meegenomen om een veilige en goede vluchtuitvoering te borgen.

Om te voorkomen dat helikopters gehinderd worden door zog van turbines die aan de rand van het windpark zijn geplaatst zal er stilstandvoorziening voor die turbines worden geëist. Aangezien het maar om een tiental vluchten per jaar gaat en de tijdsduur van een vlucht van en naar het platform ongeveer een uur in de beslag neemt is het verlies aan elektriciteitsopwekking gering. In geval van bijvoorbeeld een nieuwe boring of verwijdering van het platform kan de vliegintensiteit tijdelijk substantieel afwijken van het gemiddelde. Door deze maatregel voor te schrijven wordt de veilige bereikbaarheid van het platform bij transport van personeel en tijdens SAR operaties gewaarborgd.

Op basis van de in paragraaf 6.7.3 benoemde afwegingen vormt het windpark in windenergiegebied Hollandse Kust (noord) derhalve geen onaanvaardbaar obstakel voor de luchtvaart.

Regeling
Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord)
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
17-07-2026
BWB-id
BWBR0052410
Versie
2026-07-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl