wetzoeker

2.3.3 — Triage en toetsingskader (deel 1) Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2026

Triage en toetsingskader

Tussen het lokale gezag en het gezag in het stelsel beveiligen van personen, is het aandragen en opnemen geregeld van personen die aan de criteria voor opname in het stelsel voldoen. Dit gaat via een – verruimde – aanwijzing van personen in het stelsel door de NCTV, ook wel het zogenaamde triageproces.

Door de aanwijzing van een persoon is de NCTV van rechtswege het gezag over de politie en de KMar voor zover die deze taak in assistentieverlening aan de politie uitvoert.

Uitgangspunt in hSet triageproces is dat het merendeel van de door het OM aangedragen casuïstiek direct wordt opgenomen in het stelsel beveiligen van personen (‘directe opname’). Dat is in de gevallen dat de casus naar het oordeel van de HOvJ voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld in het toetsingskader. De overige door het OM aangedragen casuïstiek die (nog) niet (volledig) voldoet aan de criteria voor directe opname, kan worden besproken aan de triagetafel (‘indirecte lijn’). Beide processen tezamen vormen het triageproces.

Anders dan bij de personen die al aangewezen zijn door de plaatsing op de limitatieve lijst, geldt voor de gevallen waarin door de HOvJ een persoon wordt aangedragen voor opname in het stelsel, dat de betrokken HOvJ het gezag is en blijft totdat de persoon wordt aangewezen en daarmee wordt opgenomen in het stelsel. De HOvJ is derhalve ook gedurende het triageproces het verantwoordelijke gezag en bepaalt de (spoed)maatregelen die door de politie of de KMar getroffen dienen te worden.

Triageproces – directe opname en triagetafel

Het triageproces omvat het proces vanaf het aandragen van casuïstiek door het OM en eindigt bij de beoordeling van een casus door de NCTV.

De beoordeling of een casus stelselwaardig is, wordt toegelicht op een intakeformulier – getekend door de HOvJ – dat wordt verstuurd naar de NCTV. Op het intakeformulier staat aangegeven of een casus wordt voorgedragen voor directe opname of ter bespreking aan de triagetafel.

Directe opname

De HOvJ toetst de casus aan de criteria uit het toetsingskader. Alleen als de casus voldoet aan de criteria ‘ernstige dreiging op het leven gericht’ in combinatie met één van de vier dreigingsfenomenen’ kan de casus worden aangedragen voor directe opname.

Triagetafel

Indien een casus niet voldoet aan de criteria (ernstige dreiging in combinatie met één van de dreigingsfenomenen) maar de dreiging toch aanleiding geeft voor eventuele opname in het stelsel, kan de casus op basis van professioneel inzicht van politie en/of KMar en het OM worden aangedragen ter bespreking aan de triagetafel.

Het uitgangspunt van de triagetafel is om te bepalen onder welk gezag maatregelen genomen dienen te worden. Het uiteindelijke oordeel over het opnemen van een casus in het stelsel – door aanwijzing van een persoon- kan enkel door de NCTV worden gegeven. Agendering van casuïstiek in het triageproces, en dus ook aan de triagetafel, geschiedt uitsluitend door de partij die het gezag heeft. Het OM voert het secretariaat van het triageproces en zit de triagetafel voor.

Proces na directe opname of opname na bespreking aan de triagetafel

De NCTV formaliseert de aanwijzing van een te beveiligen persoon tot opname in het stelsel, door in het oordeelsformulier aan te geven dat de NCTV akkoord is met de opname van de te beveiligen persoon in het stelsel beveiligen van personen. Het oordeel aangaande opname in het stelsel zal ordentelijk worden vastgelegd en beargumenteerd met afwegingen, waaronder op basis van welke informatie het besluit is genomen. Met het versturen van het oordeelsformulier wordt het OM geïnformeerd over het oordeel en daarmee de aanwijzing van de NCTV. De HOvJ zal na ontvangst van het oordeelsformulier het overdrachtsdossier verzenden aan de NCTV.

Na deze aanwijzing is de NCTV het bevoegd gezag. In het triageproces is de werkafspraak gemaakt dat de NCTV in de praktijk pas na het ontvangen van het volledige overdrachtsdossier over de informatie beschikt om, waar nodig, aanvullende maatregelen te nemen.

Indien een door de HOvJ aangedragen casus in de directe of indirecte lijn niet door de NCTV wordt opgenomen en de HOvJ desondanks van oordeel blijft dat de casus thuishoort bij de NCTV, geldt de volgende (operationele) escalatie: de landelijk Coördinerend HOvJ zoekt afstemming met de directeur van de NCTV. De laatste escalatietrede is de portefeuille houdend procureur-generaal in afstemming met de NCTV.

Toetsingskader voor triage

Het triageproces start met het oordeel van de HOvJ dat een casus stelselwaardig is. Die beoordeling wordt gedaan aan de hand van de criteria die zijn vastgelegd in het toetsingskader voor triage.

Dat toetsingskader bevat drie kernelementen:

a) Ernstige dreiging

b) Dreiging afkomstig uit één van de dreigingsfenomenen

c) Professioneel inzicht

Ad a) Ernstige dreiging

Een persoon komt in aanmerking voor directe opname in het stelsel indien er sprake is van een ernstige dreiging gericht op zijn fysieke integriteit. Ernstige dreiging is geoperationaliseerd als er naar het oordeel van de HOvJ sprake is van:

• het (mede)plegen van geweldsdelicten met een strafmaximum van 6 jaar of meer;

• het plegen van het misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij tevens sprake is van antecedenten met betrekking tot ernstige vormen van geweldpleging, deelname aan een gewelddadige groepering of de aanwezigheid van een psychische stoornis bij de dreigende actor.

In alle gevallen dient de ernstige dreiging vallend binnen één van bovengenoemde twee artikelen direct of indirect tegen het leven gericht te zijn. Dit betekent dat voor directe voordracht de dreiger of de dreigende actor bekend moet zijn om vast te kunnen stellen of de dreiging valt onder artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht en of er tevens sprake is van de genoemde factoren. Bij de operationalisering van de ernst van de dreiging worden de criteria toegepast die in het lokaal domein bewaken en beveiligen worden gehanteerd om de ernst van de dreiging vast te stellen.

Ad b) Dreiging afkomstig uit één van de dreigingsfenomenen

De dreiging moet afkomstig zijn uit één van de vier vastgestelde dreigingsfenomenen. Deze worden voor de toepassing in het triageproces als volgt gedefinieerd:

1. Georganiseerde ondermijnende criminaliteit

Bij georganiseerde, ondermijnende criminaliteit gaat het om misdrijven die worden gepleegd in georganiseerd verband, waarbij financieel of materieel gewin het hoofddoel is. Deze misdrijven gaan vaak gepaard met intimidatie, bedreiging en/of geweld. De ondermijnende werking van deze vorm van criminaliteit ligt in de verwevenheid van de onder- en bovenwereld, met als effect dat het functioneren van de democratische rechtsorde en het vertrouwen daarin wordt aangetast.

De dreigende actor in dit fenomeen is een crimineel samenwerkingsverband (CSV), en/of een individu dat aangestuurd wordt en/of onderdeel uitmaakt van een CSV. Om te bepalen of een dreigende actor tot een CSV behoort, kunnen (indien aanwezig) uitspraken van eerdere rechtelijke procedures worden gebruikt, waarin bijvoorbeeld de mate van geweldsbereidheid van het CSV of de impact op de rechtsorde is vastgesteld. Indien deze niet voorhanden zijn zal op basis van bij de (opsporings)diensten en/of OM beschikbare informatie aannemelijk worden gemaakt dat de dreigende actor een concrete dreiging vormt.

2. Terrorisme en extremisme

Terrorisme is het uit ideologische motieven (voorbereiden van het) plegen van op mensenlevens gericht geweld, of het veroorzaken van maatschappij-ontwrichtende schade, met als doel (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen en/of politieke besluitvorming te beïnvloeden.

Regeling
Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2026
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
24-02-2026
BWB-id
BWBR0052355
Versie
2026-02-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl